Drukt een wens of spijt uit over iets dat niet echt is: Had ik maar, kon ik, wist ik.",

1. Wanneer gebruik je zinnen met ‘… maar …’ voor wens of spijt?

  • Je gebruikt deze vorm als iets niet (meer) kan, maar je het toch zou willen.
  • Of als je spijt hebt van iets in het verleden.

Je kijkt dus niet naar een echte situatie, maar naar een denkbeeldige of onmogelijke situatie.

  • Wens nu / in de toekomst:
    Was het maar zomervakantie. (Het is nu geen zomervakantie.)
  • Spijt over het verleden:
    Had ik maar meer gespaard. (Ik heb niet genoeg gespaard.)

2. De vaste beginstukjes: Had ik maar, Was het maar, Kon ik maar …

Heel vaak begint de zin met een vast blokje woorden + maar.

Soort zin Begin van de zin Voorbeeld
Algemene wens Had ik maar … Had ik maar meer tijd.
Spijt (wij) Hadden we maar … Hadden we maar gewacht.
Wens over situatie / weer / dag Was het maar … Was het maar vrijdag.
Wens over kunnen Kon ik maar … Kon ik maar beter Nederlands spreken.
Wens over weten Wist ik maar … Wist ik maar hoe dat werkt.
Wens over doen / zijn Deed ik maar … / Was ik maar … Was ik maar wat rustiger.

Zie deze beginstukjes als één blok. Daar verander je in de praktijk bijna niets aan.

3. Welke tijd gebruik je na ‘maar’?

Na deze blokjes gebruik je de verleden tijd. Er zijn twee mogelijkheden.

  1. Onvoltooid verleden tijd (OVT) voor een wens over nu of de toekomst.

    • At ik maar gezonder, dan was ik slanker.
      (Ik eet nu niet gezond; ik wens een andere situatie nu.)
    • Kon ik maar online betalen.
      (Nu kan ik dat niet.)
  2. Voltooid deelwoord (zoals bij het perfectum) voor spijt over een afgeronde actie in het verleden.

    • Had ik maar beter geluisterd.
    • Hadden we maar gewacht met tekenen.

Let op: de vorm lijkt op het perfectum (hebben/zijn + voltooid deelwoord), maar hier staat het hulpwerkwoord in de verleden tijd:

  • Ik heb geluisterd. (feit in het verleden)
  • Had ik maar geluisterd. (spijt over het verleden)

4. Woordvolgorde: waar komt ‘maar’?

Een veelgemaakte fout is de plek van maar. De regel is eenvoudig:

  • maar staat direct na het werkwoord in het beginblokje.
Goed Fout
Had ik maar meer tijd. Had ik meer tijd maar.
Was het maar vrijdag. Was al vrijdag maar.
Kon ik maar beter plannen. Kon ik beter maar plannen.

5. Eén zin of twee delen met ‘dan’?

Vaak heeft de zin twee delen:

  1. Het wens-/spijtdeel (met ‘maar’).
  2. Het gevolg (vaak met dan).
  • Had ik maar meer geld, dan kon ik mijn huur betalen.
  • At ik maar wat gezonder, dan was ik slanker.

In spreektaal kun je het tweede deel ook weglaten als het duidelijk is:

  • Had ik maar meer geld. (Het gevolg is vanzelf duidelijk.)

6. Typische fouten en hoe je ze voorkomt

  • Fout 1: Tegenwoordige tijd gebruiken

    • Wist ik maar hoe ik veilig online kan betalen.
    • Gebruik verleden tijd: Wist ik maar hoe ik veilig online kon betalen.
  • Fout 2: Infinitief i.p.v. voltooid deelwoord

    • Hadden we maar eerder onze documenten controleren.
    • Correct: Hadden we maar eerder onze documenten gecontroleerd.
  • Fout 3: Verkeerde volgorde van bijwoorden

    • Hadden we maar onze documenten al gecontroleerd eerder.
    • Meer natuurlijk: Hadden we maar eerder onze documenten gecontroleerd.

7. Stappenplan om zelf een wens- of spijtzin te maken

  1. Kies: wens nu of spijt over het verleden?

    • Wens nu/toekomst → gebruik OVT (kon, wist, at, was …).
    • Spijt verleden → gebruik had(den) + voltooid deelwoord.
  2. Kies een beginblokje dat past bij de betekenis:

    • Had ik maar … (algemeen / bezit / situatie)
    • Was het maar … (weer, tijd, dag)
    • Kon ik maar … (vaardigheid / mogelijkheid)
    • Wist ik maar … (informatie)
  3. Schrijf de rest van de zin in de juiste vorm:

    • Nu/toekomst: Kon ik maar meer sparen.
    • Verleden spijt: Had ik maar meer gespaard.
  4. Eventueel: voeg een gevolg toe met dan.

    • …, dan was ik niet zo gestrest.

8. Korte zelfcheck: begrijp ik het?

  • Kan ik uit mijn hoofd drie beginblokjes opschrijven? (bijv. Had ik maar …, Was het maar …, Kon ik maar …)
  • Kan ik uitleggen wat het verschil is tussen:
    • Ik heb gespaard. (feit)
    • Had ik maar gespaard. (spijt)
  • Let ik erop dat na deze blokjes altijd een verleden tijd komt?
  • Controleer ik of maar direct achter het werkwoord staat? (Had ik maar …)

Kun je deze vragen met ‘ja’ beantwoorden? Dan kun je deze zinnen zelfstandig herkennen en zelf formuleren.

  1. Gebruik de onvoltooid verleden tijd om spijt of een onvervulde wens uit te drukken.
  2. De situatie is denkbeeldig of niet realistisch op dit moment.
  3. Het gaat vaak gepaard met 'maar.
SituatieVoorbeelden
WensWas het al maar zomervakantie.
Had ik maar meer geld, dan kon ik mijn huur betalen. 
At ik maar wat gezonder, dan was ik slanker.
SpijtHadden we maar gewacht.
Had ik maar meer gespaard.
Had ik maar beter geluisterd.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ ik maar meer gespaard, dan kon ik nu makkelijk een huis kopen.


2. ___ het maar volgende week, dan stond mijn salaris al op mijn bankrekening.


3. ___ ik maar genoeg contant geld bij me, dan hoefde ik nu niet met mijn creditcard te betalen.


4. ___ ik maar alle Nederlandse betaalapps goed gebruiken, dan was online betalen veel makkelijker.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin waarin een wens of spijt wordt uitgedrukt met de onvoltooid verleden tijd en 'maar'.

1.
'Maar' staat verkeerd; het moet direct na 'Had ik' komen voor een correcte wensstructuur.
Infinitief gebruikt in plaats van onvoltooid verleden tijd na 'maar'. Correct is 'te regelen'.
2.
De werkwoordsvorm 'Was' is hier onjuist gebruikt om een wens met onvoltooid verleden tijd uit te drukken in deze context.
Fout gebruik van de tegenwoordige tijd 'kan' in plaats van onvoltooid verleden tijd om een wens uit te drukken.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen zodat ze een wens of spijt uitdrukken met ‘Had ik maar …’, ‘Hadden we maar …’ of ‘Was het maar …’ Gebruik de onvoltooid verleden tijd. Voorbeeld: Ik heb geen tijd. → Had ik maar meer tijd.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Had ik maar) Ik heb geen geld voor de huur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Had ik maar genoeg geld voor de huur.
  2. Hint Hint (Was het maar) Het regent vandaag en ik moet werken.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Was het maar mooi weer en was ik maar vrij.
  3. Hint Hint (Had ik maar) Ik leer nu weinig Nederlands en dat is niet goed voor mijn examen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Had ik maar meer Nederlands geleerd, dan zou mijn examen makkelijker geweest zijn.
  4. Hint Hint (Hadden we maar) We besloten meteen te verhuizen en dat was geen goed idee.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hadden we maar niet meteen verhuisd.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel wat er fout ging en welke wens of spijt je daarbij hebt.

Situatie
Je staat bij de bankbalie omdat er iets misging met een betaling.

Bespreek
  • Wat is er precies misgegaan met uw bankrekening of betaling?
  • Wat had u liever anders gedaan of gewild bij deze betaling? (Gebruik: Had ik maar… / Waren ze maar…)​

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • de bankrekening
  • de betaling
  • de pinpas / contant betalen

Gebruik in gesprek
  • Had ik maar…
  • Was het maar…

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 12:15