Woordenschat (15)

De routine

De routine Show

De routine Show

De conditie

De conditie Show

De conditie Show

De beweging

De beweging Show

De beweging Show

De oefeningen

De oefeningen Show

De oefeningen Show

De yoga

De yoga Show

De yoga Show

Het zwembad

Het zwembad Show

Het zwembad Show

De gewichten

De gewichten Show

De gewichten Show

De kracht

De kracht Show

De kracht Show

De krachttraining

De krachttraining Show

De krachttraining Show

De training

De training Show

De training Show

Een gezond leven leiden

Een gezond leven leiden Show

Een gezond leven leiden Show

Trainen

Trainen Show

Trainen Show

Optillen

Optillen Show

Optillen Show

Rennen

Rennen Show

Rennen Show

Sterk

Sterk Show

Sterk Show

Kunnen (kunnen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) kon
(jij/je) kon
(hij/zij/ze/het) kon
(wij/we) konden
(jullie) konden
(zij/ze) konden

Trainen (trainen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) trainde
(jij/je) trainde
(hij/zij/ze/het) trainde
(wij/we) trainden
(jullie) trainden
(zij/ze) trainden

Rennen (rennen)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb gerend
(jij/je) hebt gerend
(hij/zij/ze/het) heeft gerend
(wij/we) hebben gerend
(jullie) hebben gerend
(zij/ze) hebben gerend