Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.
| Woord |
|---|
| Debatteren |
| Argumenten |
| Het debat |
| De tegenstander |
| Een argument weerleggen |
| Het oneens zijn |
| Argumentatie |
| Overtuigen |
| Argumenteren |
1. Waar gaat het vooral om bij debatteren?
2. Wat moet je doen als je het niet eens bent met de ander?
3. Hoe kun je een argument van de tegenstander het beste weerleggen?
4. Waarom is het belangrijk om korte en duidelijke zinnen te gebruiken in een debat?
Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Debat over het projectplan
| 1. | Hendrik: | Ik wil morgen met het team debatteren over het projectplan. |
| 2. | Roos: | Goed idee, maar denk eerst aan sterke argumenten voor het debat, voor jouw positie. |
| 3. | Hendrik: | Ik heb je mijn plan al verteld. Mijn voorstel is goedkoper en flexibeler, dat zal wel overtuigen. |
| 4. | Roos: | Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Jouw plan kost ook veel tijd. |
| 5. | Hendrik: | Hm, ik denk dat ik dat argument morgen wel kan weerleggen. |
| 6. | Roos: | Dat is goed. Ik denk zeker dat we een compromis zullen vinden tussen de voorstellen. |
| 7. | Hendrik: | Ja, precies. Soms is een klein compromis beter dan blijven discussiëren. |
| 8. | Roos: | Ik geloof dat het een interessant debat zal worden. |
1. Lees de dialoog. Wat wil Hendrik morgen doen met het team?
2. Waarom denkt Hendrik dat zijn voorstel goed is?