A2.1 - Vakantieplannen
Vakantieplannen
1. Taalonderdompeling
A2.1.1 Activiteit
Vakantieplannen in Zoutelande
3. Grammatica
A2.1.2 Grammatica
Werkwoorden met '(om) te', 'laten' en 'aan het'
Belangrijk werkwoord
Bezoeken (bezoeken)
Belangrijk werkwoord
Reizen (reizen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Nieuwsbrief: Vakantie aan de Nederlandse Kust
Woorden om te gebruiken: reisbureau, strand, vakantie, reist, reis, ontspannen, strandhuis, reisleider, excursie
(Nieuwsbrief: Vakantie aan de Nederlandse kust)
Deze zomer organiseert Noordzee een korte naar Zoutelande in Zeeland. U gaat vier dagen naar de kust om te . U met de trein en bus. De duurt ongeveer vier uur, maar u hoeft niet zelf te rijden. Een wacht op u bij het station en brengt u naar een klein .
Overdag kunt u wandelen op het en een maken naar een eiland in de buurt. ’s Avonds kookt u zelf of eet u in een klein restaurant bij de zee. De prijs is laag, omdat u buiten het hoogseizoen reist. Dit is een goede reis voor mensen die in Nederland willen blijven, maar toch het gevoel willen hebben dat ze echt op vakantie gaan.
-
Waarom is deze reis geschikt voor mensen die in Nederland willen blijven?
-
Hoe gaat de reiziger van het station naar het strandhuis?
-
Welke activiteiten kan je overdag doen tijdens deze vakantie?
-
Zou jij deze vakantie willen boeken? Waarom wel of niet?
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Volgende maand ben ik van plan om mijn ouders in Spanje ___ ____.
2. We zijn nu ___ ___ reizen met de trein naar ons vakantiehuis aan zee.
3. Gisteren ___ ___ met het reisbureau gesproken en ik ___ online een excursie naar het eiland ____.
4. Ik ___ de reisleider de route ___ om de groep beter te laten ____.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Vakantieplannen met collega bespreken
Collega Mark: Show Heb jij al een plan voor de zomervakantie? Ik ben van plan om naar Terschelling te gaan.
Collega Sara: Show Leuk, een eiland! Ga je met de auto en dan met de boot, of reis je met de trein?
Collega Mark: Show We reizen met de trein naar Harlingen en dan met de boot, zo is het relaxter en kan ik al een beetje ontspannen.
Collega Sara: Show Klinkt goed, goede reis alvast, en vergeet niet het strand en de zee te bezoeken!
Open vragen:
1. Waar ga jij het liefst op vakantie: naar de zee, naar een stad of naar de bergen? Waarom?
2. Met welk vervoer reis jij meestal op vakantie, en ben je daar tevreden over?
Bij het reisbureau voor zomervakantie
Klant Anna: Show Goedemiddag, ik wil in juli op vakantie gaan en ik zoek een rustige reis, liefst met strand en zee.
Reisbureau medewerker: Show Dan is een week Texel misschien iets voor u, veel natuur en u kunt leuke excursies doen per fiets.
Klant Anna: Show Klinkt goed, hoe lang duurt de reis met de trein en de boot naar het eiland?
Reisbureau medewerker: Show Ongeveer drie uur in totaal, het is een korte reis en veel toeristen vinden het erg ontspannen.
Open vragen:
1. Wat voor soort vakantie vind jij het leukst: een rustige vakantie of een vakantie met veel excursies?
2. Hoe boek jij meestal je reis: online of bij een reisbureau, en waarom?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je collega vraagt in de pauze naar je plannen voor de zomervakantie. Vertel kort wat je gaat doen en waar je naartoe gaat. (Gebruik: op vakantie gaan, van plan zijn, het plan)
Ik ga op vakantie
Voorbeeld:
Ik ga op vakantie naar Texel. Ik ben van plan om daar een week op het strand te wandelen en te fietsen.
2. Je belt een reisbureau om informatie te vragen over een weekendtrip naar een eiland in Nederland. Vertel wat je zoekt. (Gebruik: het reisbureau, de reis, het eiland)
Ik bel het reisbureau
Voorbeeld:
Ik bel het reisbureau omdat ik een korte reis naar een Waddeneiland zoek. Ik wil graag informatie over een weekend op Terschelling.
3. Je partner wil liever met de auto op vakantie, maar jij wil met het vliegtuig. Leg kort uit waarom je liever een vlucht neemt. (Gebruik: de vlucht, reizen, snel)
Ik kies liever de vlucht
Voorbeeld:
Ik kies liever de vlucht, omdat reizen met het vliegtuig sneller is. Dan hebben we meer tijd om daar te ontspannen.
4. Je zit in de trein naar de zee. Een Nederlandse toerist begint een praatje en vraagt wat je op het strand gaat doen. Antwoord. (Gebruik: het strand, de zee, ontspannen)
Op het strand wil ik
Voorbeeld:
Op het strand wil ik gewoon ontspannen. Ik wil een beetje zwemmen in de zee en een boek lezen in de zon.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf vijf of zes zinnen over jouw ideale korte vakantie in Nederland: waar wil je naartoe, hoe wil je reizen en wat ben je van plan daar te doen.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik ben van plan om naar … te gaan. / Ik wil met de … reizen, omdat … / Tijdens mijn vakantie wil ik … / Ik kies deze plek omdat …
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Welk type vakantie zie je op elke foto? (Welk type vakantie zie je op elke foto?)
- Welke vervoermiddel ga je gebruiken om te reizen en waarom? (Welke vervoersmiddel ga je gebruiken om te reizen en waarom?)
- Hoe lang wordt je volgende vakantie? (Hoe lang duurt je volgende vakantie?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Ik ga naar Italië voor een stedentrip. |
|
Ik ga met mijn familie kamperen in de bergen. |
|
Ik reis met de trein in plaats van met het vliegtuig te gaan. |
|
Ik ga naar Mallorca om musea te bezoeken. |
|
We nemen de camper mee op een familietocht. |
|
Ik reis zes maanden rond de wereld. |
|
We gaan naar een strandresort in Tunesië. |
|
Ik ga in mei op een cruise. |
| ... |