A2.11.1 - Een noodgeval melden via 112
Een noodgeval melden via 112
Oefening 1: Taalonderdompeling
Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.
| Woord |
|---|
| De ambulancezorg |
| Hulp nodig hebben |
| Het noodnummer honderd twaalf bellen |
| Een beroerte |
| Bij bewustzijn zijn |
| Zich kunnen bewegen |
| Veel moeite kosten |
| De ambulance is onderweg |
| Iemand verder helpen |
| Ambulancezorg, goedemiddag. Wat is het adres waar hulp nodig is? |
| We zijn op de Katschiplaan. Mijn moeder heeft hulp nodig. |
| Waarom belt u, en wat is er met uw moeder gebeurd? |
| Ze wankelt als ze loopt, praat raar en kan niets goed vasthouden. |
| Misschien is het een beroerte. Het is goed dat u belt, dat mag zeker. |
| Is ze wakker en bij bewustzijn? |
| Ja, maar ze zegt rare dingen en praat alsof ze dronken is. |
| Kan zij haar armen goed bewegen en in de lucht houden? Wilt u dat vragen? |
| Nee, één arm lukt bijna niet en haar mond hangt scheef. |
| De ambulance is onderweg. Blijf bij haar tot wij er zijn. |
Begripsvragen:
-
Waarom maakt de beller zich zorgen over zijn moeder?
(Waarom maakt de beller zich zorgen over zijn moeder?)
-
Welke test vraagt de medewerker om te doen met de armen van de moeder?
(Welke test vraagt de medewerker om met de armen van de moeder te doen?)
-
Wat moet de beller doen terwijl de ambulance onderweg is?
(Wat moet de beller doen terwijl de ambulance onderweg is?)
Oefening 2: Dialoog
Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.
Een noodgeval melden bij 112
| 1. | Beller: | Hallo, ik wil een noodgeval melden. |
| 2. | Operator 112: | U spreekt met de hulpdiensten. Wat is er precies aan de hand? |
| 3. | Beller: | Ik bel voor mijn moeder. Ze doet raar, misschien een beroerte. |
| 4. | Operator 112: | Kunt u de situatie beschrijven? |
| 5. | Beller: | Ze praat raar en haar mond hangt scheef. Ik wist niet zeker of ik hiervoor het noodnummer moest bellen. |
| 6. | Operator 112: | U doet er goed aan om te bellen. Kan ze haar armen omhoog doen? |
| 7. | Beller: | Nee, dat kan ze niet. Ze praat ook alsof ze dronken is. |
| 8. | Operator 112: | Wat is uw adres? We sturen meteen een ambulance. |
| 9. | Beller: | Katschiplaan 19. Moet ik ook de brandweer bellen? We wonen in een flat zonder lift. |
| 10. | Operator 112: | Nee, dat is niet nodig. Wij regelen alles. De ambulance is er binnen 15 minuten. |
| 11. | Beller: | Brengen jullie haar naar de spoedeisende hulp? |
| 12. | Operator 112: | We kijken ter plaatse hoe het met haar gaat en brengen haar zo nodig naar het ziekenhuis. |
1. Wat is er aan de hand met de moeder van de beller?
2. Waarom twijfelt de beller om het noodnummer te bellen?
Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken
Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.
-
U bent thuis met uw partner of ouder en die krijgt plotseling mogelijk een beroerte. Wat zegt u aan de 112-medewerker? Noem twee korte punten.
__________________________________________________________________________________________________________
-
U woont op de vierde verdieping van een flat zonder lift. De ambulance is onderweg. Wat vertelt u kort aan de hulpdiensten over uw woning en uw beschikbaarheid?
__________________________________________________________________________________________________________
-
U twijfelt of u het noodnummer moet bellen. Hoe legt u in één of twee zinnen aan de medewerker uit waarom u toch belt?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Iemand vraagt: “Wanneer bel je 112 in Nederland?” Leg in één of twee zinnen uit wanneer je dat doet.
__________________________________________________________________________________________________________
Oefen deze dialoog met een echte leraar!
Deze dialoog maakt deel uit van ons leermateriaal. Tijdens onze conversatielessen oefen je de situaties met een docent en andere studenten.
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen