Woordenschat (12)

De brand

De brand Show

The fire Show

Het noodnummer

Het noodnummer Show

The emergency number Show

Het rode kruis

Het rode kruis Show

The Red Cross Show

De ambulance

De ambulance Show

The ambulance Show

De spoedeisende hulp

De spoedeisende hulp Show

The emergency care Show

De hulpdiensten

De hulpdiensten Show

The emergency services Show

De hulp

De hulp Show

The help Show

De bescherming

De bescherming Show

The protection Show

De sociale zekerheid

De sociale zekerheid Show

Social security Show

Een noodgeval hebben

Een noodgeval hebben Show

To have an emergency Show

Het spoedgeval

Het spoedgeval Show

The emergency case Show

De brandweer bellen

De brandweer bellen Show

To call the fire brigade Show

Helpen (helpen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) hielp
(jij/je) hielp
(hij/zij/ze/het) hielp
(wij/we) hielpen
(jullie) hielpen
(zij/ze) hielpen

Gaan (gaan)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) ging
(jij/je) ging
(hij/zij/ze/het) ging
(wij/we) gingen
(jullie) gingen
(zij/ze) gingen

Bellen (bellen)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) belde
(jij/je) belde
(hij/zij/ze/het) belde
(wij/we) belden
(jullie) belden
(zij/ze) belden