Vocabulary (11)

De tandenborstel

De tandenborstel Show

The toothbrush Show

De tandpasta

De tandpasta Show

The toothpaste Show

De shampoo

De shampoo Show

The shampoo Show

De zeep

De zeep Show

The soap Show

De gel

De gel Show

The gel Show

De deodorant

De deodorant Show

The deodorant Show

De parfum

De parfum Show

The perfume Show

De zalf

De zalf Show

The ointment Show

Allergisch zijn

Allergisch zijn Show

To be allergic Show

De handen wassen

De handen wassen Show

To wash the hands Show

De tanden poetsen

De tanden poetsen Show

To brush the teeth Show

Zich scheren (to shave)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) scheerde me
(jij/je) scheerde je
(hij/zij/ze/het) scheerde zich
(wij/we) schereden ons
(jullie) schereden je
(zij/ze) schereden zich

Zich wassen (to wash oneself)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb me gewassen
(jij/je) hebt je gewassen
(hij/zij/ze/het) heeft zich gewassen
(wij/we) hebben ons gewassen
(jullie) hebben je gewassen
(zij/ze) hebben zich gewassen