1. Sprachimmersion

2. Wortschatz (16)

De excursie

De excursie Anzeigen

Der Ausflug Anzeigen

De reis

De reis Anzeigen

Die Reise Anzeigen

De vlucht

De vlucht Anzeigen

Der Flug Anzeigen

Het strand

Het strand Anzeigen

Der Strand Anzeigen

De zee

De zee Anzeigen

Das Meer Anzeigen

Het eiland

Het eiland Anzeigen

Die Insel Anzeigen

Het reisbureau

Het reisbureau Anzeigen

Das Reisebüro Anzeigen

De toerist

De toerist Anzeigen

Der Tourist Anzeigen

De reisleider

De reisleider Anzeigen

Der Reiseleiter Anzeigen

Het plan

Het plan Anzeigen

Der Plan Anzeigen

Goede reis

Goede reis Anzeigen

Gute Reise Anzeigen

Op vakantie gaan

Op vakantie gaan Anzeigen

In den Urlaub fahren Anzeigen

Bezoeken

Bezoeken Anzeigen

Besuchen Anzeigen

Ontspannen

Ontspannen Anzeigen

Sich entspannen Anzeigen

Van plan zijn

Van plan zijn Anzeigen

Vorhaben sein Anzeigen

4. Übungen

Übung 1: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Nieuwsbrief: Vakantie aan de Nederlandse Kust

Wörter zu verwenden: ontspannen, strandhuis, strand, reis, excursie, vakantie, reisbureau, reisleider, reist

(Newsletter: Urlaub an der niederländischen Küste)

Deze zomer organiseert Noordzee een korte naar Zoutelande in Zeeland. U gaat vier dagen naar de kust om te . U met de trein en bus. De duurt ongeveer vier uur, maar u hoeft niet zelf te rijden. Een wacht op u bij het station en brengt u naar een klein .

Overdag kunt u wandelen op het en een maken naar een eiland in de buurt. ’s Avonds kookt u zelf of eet u in een klein restaurant bij de zee. De prijs is laag, omdat u buiten het hoogseizoen reist. Dit is een goede reis voor mensen die in Nederland willen blijven, maar toch het gevoel willen hebben dat ze echt op vakantie gaan.
Diesen Sommer organisiert das Reisebüro Noordzee einen Kurzurlaub nach Zoutelande in Zeeland. Sie verbringen vier Tage an der Küste, um sich zu entspannen. Sie reisen mit Zug und Bus. Die Fahrt dauert etwa vier Stunden, aber Sie müssen nicht selbst fahren. Ein Reiseleiter erwartet Sie am Bahnhof und bringt Sie zu einem kleinen Strandhaus.

Tagsüber können Sie am Strand spazieren gehen und einen Ausflug zu einer nahegelegenen Insel machen. Abends kochen Sie selbst oder essen in einem kleinen Restaurant am Meer. Der Preis ist niedrig, weil Sie außerhalb der Hauptsaison reisen. Dies ist eine gute Reise für Menschen, die in den Niederlanden bleiben möchten, aber trotzdem das Gefühl haben wollen, wirklich im Urlaub zu sein.

  1. Waarom is deze reis geschikt voor mensen die in Nederland willen blijven?

    (Warum ist diese Reise geeignet für Menschen, die in den Niederlanden bleiben möchten?)

  2. Hoe gaat de reiziger van het station naar het strandhuis?

    (Wie gelangt die reisende Person vom Bahnhof zum Strandhaus?)

  3. Welke activiteiten kan je overdag doen tijdens deze vakantie?

    (Welche Aktivitäten kann man tagsüber während dieses Urlaubs unternehmen?)

  4. Zou jij deze vakantie willen boeken? Waarom wel of niet?

    (Würdest du diesen Urlaub buchen? Warum ja oder warum nicht?)

Übung 2: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Volgende maand ben ik van plan om mijn ouders in Spanje ___ ____.

(Nächsten Monat habe ich vor, meine Eltern in Spanien ___ ____.)

2. We zijn nu ___ ___ reizen met de trein naar ons vakantiehuis aan zee.

(Wir sind jetzt ___ ___ mit dem Zug zu unserem Ferienhaus am Meer.)

3. Gisteren ___ ___ met het reisbureau gesproken en ik ___ online een excursie naar het eiland ____.

(Gestern ___ ___ mit dem Reisebüro gesprochen und ich ___ online eine Exkursion zur Insel ____.)

4. Ik ___ de reisleider de route ___ om de groep beter te laten ____.

(Ich ___ den Reiseleiter die Route ___ um die Gruppe besser ____.)

Übung 3: Dialogkarten

Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 4: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je collega vraagt in de pauze naar je plannen voor de zomervakantie. Vertel kort wat je gaat doen en waar je naartoe gaat. (Gebruik: op vakantie gaan, van plan zijn, het plan)

(Dein Kollege fragt in der Pause nach deinen Plänen für die Sommerferien. Erzähle kurz, was du vorhast und wohin du fährst. (Verwende: op vakantie gaan, van plan zijn, het plan))

Ik ga op vakantie  

(Ik ga op vakantie ...)

Beispiel:

Ik ga op vakantie naar Texel. Ik ben van plan om daar een week op het strand te wandelen en te fietsen.

(Ik ga op vakantie naar Texel. Ik ben van plan om daar een week op het strand te wandelen en te fietsen.)

2. Je belt een reisbureau om informatie te vragen over een weekendtrip naar een eiland in Nederland. Vertel wat je zoekt. (Gebruik: het reisbureau, de reis, het eiland)

(Du rufst ein Reisebüro an, um Informationen über einen Wochenendtrip zu einer Insel in den Niederlanden zu erfragen. Sage, was du suchst. (Verwende: het reisbureau, de reis, het eiland))

Ik bel het reisbureau  

(Ik bel het reisbureau ...)

Beispiel:

Ik bel het reisbureau omdat ik een korte reis naar een Waddeneiland zoek. Ik wil graag informatie over een weekend op Terschelling.

(Ik bel het reisbureau omdat ik een korte reis naar een Waddeneiland zoek. Ik wil graag informatie over een weekend op Terschelling.)

3. Je partner wil liever met de auto op vakantie, maar jij wil met het vliegtuig. Leg kort uit waarom je liever een vlucht neemt. (Gebruik: de vlucht, reizen, snel)

(Dein Partner möchte lieber mit dem Auto in den Urlaub fahren, aber du möchtest fliegen. Erkläre kurz, warum du lieber einen Flug nimmst. (Verwende: de vlucht, reizen, snel))

Ik kies liever de vlucht  

(Ik kies liever de vlucht ...)

Beispiel:

Ik kies liever de vlucht, omdat reizen met het vliegtuig sneller is. Dan hebben we meer tijd om daar te ontspannen.

(Ik kies liever de vlucht, omdat reizen met het vliegtuig sneller is. Dann hebben we meer tijd om daar te ontspannen.)

4. Je zit in de trein naar de zee. Een Nederlandse toerist begint een praatje en vraagt wat je op het strand gaat doen. Antwoord. (Gebruik: het strand, de zee, ontspannen)

(Du sitzt im Zug ans Meer. Ein niederländischer Tourist beginnt ein Gespräch und fragt, was du am Strand tun wirst. Antworte. (Verwende: het strand, de zee, ontspannen))

Op het strand wil ik  

(Op het strand wil ik ...)

Beispiel:

Op het strand wil ik gewoon ontspannen. Ik wil een beetje zwemmen in de zee en een boek lezen in de zon.

(Op het strand wil ik gewoon ontspannen. Ik wil een beetje zwemmen in de zee en een boek lezen in de zon.)

Übung 5: Schreibübung

Anleitung: Schreibe 5 oder 6 Sätze über deinen idealen Kurzurlaub in den Niederlanden: Wohin möchtest du reisen, wie möchtest du reisen und was hast du vor, dort zu tun?

Nützliche Ausdrücke:

Ik ben van plan om naar … te gaan. / Ik wil met de … reizen, omdat … / Tijdens mijn vakantie wil ik … / Ik kies deze plek omdat …

Oefening 6: Gesprächsübung

Instructie:

  1. Welk type vakantie zie je op elke foto? (Welche Art von Urlaub sehen Sie auf jedem Bild?)
  2. Welke vervoermiddel ga je gebruiken om te reizen en waarom? (Welche Verkehrsmittel wirst du benutzen, um zu reisen und warum?)
  3. Hoe lang wordt je volgende vakantie? (Wie lange wird dein nächster Urlaub dauern?)

Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten

Beispielsätze:

Ik ga naar Italië voor een stedentrip.

Ich mache eine Städtereise nach Italien.

Ik ga met mijn familie kamperen in de bergen.

Ich mache mit meiner Familie Camping in den Bergen.

Ik reis met de trein in plaats van met het vliegtuig te gaan.

Ich werde mit dem Zug fahren, statt das Flugzeug zu nehmen.

Ik ga naar Mallorca om musea te bezoeken.

Ich fahre nach Mallorca, um Museen zu besichtigen.

We nemen de camper mee op een familietocht.

Wir machen mit dem Wohnmobil eine Familienreise.

Ik reis zes maanden rond de wereld.

Ich reise sechs Monate lang um die Welt.

We gaan naar een strandresort in Tunesië.

Wir fahren in ein Strandresort in Tunesien.

Ik ga in mei op een cruise.

Ich mache im Mai eine Kreuzfahrt.

...