Bij indirecte rede gebruik je woorden als zeggen, vragen, of, dat om iets te herhalen zonder aanhalingstekens.

(Bei der indirekten Rede benutzt du Wörter wie sagen, fragen, ob, dass, um etwas ohne Anführungszeichen zu wiederholen.)

1. Wat is indirekte rede in het Nederlands?

  • Je herhaalt wat iemand zegt of vraagt.
  • Je gebruikt dan geen aanhalingstekens meer, maar een bijzin.

Vergelijk:

  • Direct: „Het systeem werkt.”
  • Indirect: „Ze zegt dat het systeem werkt.”

In het Nederlands zijn vooral twee woorden belangrijk:

  • dat → bij gewone zinnen (mededelingen)
  • of → bij gesloten vragen (ja/nee‑vragen)

2. Wanneer gebruik je dat en wanneer of?

Stap 1: Vraag jezelf af: was het origineel een zin of een vraag?

  1. Gewone zin (mededeling) → gebruik dat
    • „Het project is klaar.” → „Hij zegt dat het project klaar is.”
    • „Ik werk morgen thuis.” → „Zij zegt dat ze morgen thuis werkt.”
  2. Gesloten vraag (ja/nee) → gebruik of
    • „Is het project klaar?” → „Hij vraagt of het project klaar is.”
    • „Krijgen we een bonus?” → „Ze vragen of ze een bonus krijgen.”

Let op veelgemaakte fouten:

  • Hij vraagt dat het project klaar is.Hij vraagt of het project klaar is.
  • Ze zegt of het project klaar is.Ze zegt dat het project klaar is.

3. Typische inleidende werkwoorden

Deze werkwoorden komen heel vaak vóór dat of of:

Nederlands Betekenis (Duits) Met…
zeggen sagen meestal dat
vertellen erzählen meestal dat
denken denken meestal dat
vinden finden, meinen meestal dat
vragen fragen bij ja/nee-vraag: of

Richtlijn:

  • zeggen, denken, vinden, vertellen → vaak een mededeling → dat
  • vragen → vaak een ja/nee‑vraag → of

4. Woordvolgorde in de bijzin

De bijzin na dat of of heeft in het Nederlands een vaste volgorde.

  • Persoon + rest + werkwoord(en) aan het einde

Met „dat“:

  • „Ze zegt dat het systeem goed werkt.”
  • „Hij denkt dat hij morgen thuis werkt.”

Met „of“:

  • „Ze vraagt of het project al klaar is.”
  • „Hij vraagt of ik gisteren met de klant heb gesproken.”

Vergelijk met het Duits:

  • Nederlands: „… dat hij morgen thuis werkt.”
  • Duits: „… dass er morgen zu Hause arbeitet.”

→ De structuur is hier zeer vergelijkbaar. Dat maakt het makkelijker.

5. Tijd in de bijzin: nu of verleden?

Belangrijk: in het Nederlands is er geen automatische tijdverschuiving zoals in het Engels.

  • Is de inhoud nog actueel? → vaak tegenwoordige tijd in de bijzin.
  • Gaat het duidelijk over iets dat al afgerond is? → vaak verleden tijd.

Actueel, nog waar:

  • Direct: „Ik werk morgen thuis.”
  • Indirect (nu): „Hij zegt dat hij morgen thuis werkt.”

Klaar, afgesloten in het verleden:

  • Direct (gisteren): „Ik stuur de documenten op.”
  • Indirect (vandaag): „Hij zei dat hij de documenten opstuurde.”

Zelfcontrole: Vraag jezelf in het Duits:

  • „Ist das noch aktuell?” → gebruik vaak Präsens in de bijzin.
  • „Geht es klar um etwas Abgeschlossenes?” → gebruik verleden tijd.

6. Typische problemen voor Duitstaligen

  • Probleem 1: „ob“ en „of“ door elkaar halen
    • Duits: „Er fragt, ob …”
    • Nederlands: „Hij vraagt, of …” (zelfde functie)
    • Maar: bij mededeling nooit of gebruiken.
  • Probleem 2: „dat“ vergeten
    • Hij zegt hij komt morgen.
    • → „Hij zegt dat hij morgen komt.”
  • Probleem 3: volgorde in de bijzin
    • Hij zegt dat hij komt morgen.
    • → „Hij zegt dat hij morgen komt.”

7. Stapschema: van directe naar indirecte rede

  1. Zoek de originele zin.
    • Is het een mededeling? Is het een ja/nee‑vraag?
  2. Kies het juiste verbindingswoord.
    • Mededeling → dat
    • Ja/nee‑vraag → of
  3. Pas de personen aan.
    • „ik” → „hij/zij”, „wij” → „zij”, enz.
  4. Kijk naar de tijd.
    • Nog actueel? → meestal dezelfde tijd als in het origineel.
    • Duidelijk verleden? → verleden tijd in de bijzin.
  5. Zet het werkwoord aan het eind van de bijzin.
    • Let vooral op combinatie met hulpwerkwoorden: „heeft gedaan”, „zal maken”, „wil doen”.

Voorbeeld met het schema:

  • Direct: „Heb je de e‑mail gelezen?”
  • 1 – Soort: ja/nee‑vraag → of
  • 2 – Personen: „je” → „ik” (vanuit mijn perspectief)
  • 3 – Tijd: actie is gisteren, verleden → verleden tijd
  • 4 – Volgorde: persoonsvorm aan het eind
  • Indirect: „Mijn collega vraagt of ik de e‑mail heb gelezen.”

8. Korte zelfcheck: Begrijp je het?

Kun je deze vragen voor jezelf met ja beantwoorden?

  • Ik weet wanneer ik dat en wanneer ik of nodig heb.
  • Ik kan een directe mededeling omzetten in een zin met dat.
  • Ik kan een ja/nee‑vraag omzetten in een zin met of.
  • Ik let erop dat het werkwoord in de bijzin aan het eind staat.
  • Ik kan beslissen of ik de bijzin in de tegenwoordige of verleden tijd zet.

Als je ergens nog twijfelt, kies dan een paar zinnen uit je werkdag (e‑mails, vergaderingen) en herschrijf ze in de indirecte rede. Zo wordt het snel vanzelfsprekend.

  1. Verwende "of" in Entscheidungsfragen.
  2. Verwende "dat" in normalen Sätzen.
  3. In der Vergangenheit: Die Verbform im Nebensatz steht auch in der Vergangenheit.
Type zin (Satzart) (Type de phrase)Directe rede (Direkte Rede) (Discours direct)Indirecte rede (Indirekte Rede) (discours indirect)
Normale zin (Normaler Satz) (Phrase normale)Het systeem werkt. (Le système fonctionne.)Ze zegt dat het systeem werkt. (Elle dit que le système fonctionne.)
Vraag (Frage) (Question)Is het project af? (Le projet est-il terminé ?)Ze vraagt of het project af is. (Elle demande si le projet est terminé.)
Verleden tijd (Vergangenheit) (Passé)Ik organiseer het project. (J'organise le projet.)Hij zei dat hij het project organiseerde. (Il a dit qu'il organisait le projet.)

Übung 1: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wähle die richtige Antwort

1. De teamleider zegt ____ het systeem vandaag niet goed werkt.

Der Teamleiter sagt ____ das System heute nicht richtig funktioniert.)

2. De projectmanager vraagt ____ het project al voltooid is.

Der Projektmanager fragt ____ das Projekt bereits abgeschlossen ist.)

3. Mijn collega zei ____ hij de taken gisteren al had georganiseerd.

Mein Kollege sagte ____ er die Aufgaben gestern schon organisiert hatte.)

4. Het afdelingshoofd vroeg ____ ik de dringende melding al had gelezen.

Der Abteilungsleiter fragte ____ ich die dringende Meldung schon gelesen hatte.)

Übung 2: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wähle den korrekten Satz mit indirekter Rede. Achte auf die richtige Verwendung von ‚dass‘ und ‚ob‘ sowie auf die Zeiten der Verben.

1.
‚Ob‘ verwendet man nur bei Entscheidungsfragen; hier handelt es sich um einen Aussagesatz.
Die Verbform ‚fertigstellte‘ ist Präteritum; hier wird das Präsens verlangt.
2.
Bei einer Entscheidungsfrage verwendet man ‚ob‘, nicht ‚dass‘.
Wenn die Frage noch aktuell ist, verwendet man normalerweise das Präsens, nicht das Präteritum.

Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke

Anleitung: Schreibe die Sätze in die indirekte Rede um. Verwende ‚dass‘ für Aussagesätze und ‚ob‘ für Ja/Nein-Fragen. Achte auf die richtige Zeitform des Verbs.

Anzeigen/Übersetzung ausblenden Hinweise einblenden/ausblenden
  1. Hinweis Hinweis (dat) Paul zegt: "Ik werk morgen thuis."
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Paul zegt dat hij morgen thuis werkt.
    (Paul sagt, dass er morgen zu Hause arbeitet.)
  2. Hinweis Hinweis (dat) De manager zegt: "Het project is klaar."
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De manager zegt dat het project klaar is.
    (Der Manager sagt, dass das Projekt fertig ist.)
  3. Hinweis Hinweis (of) Lisa vraagt: "Is de klant al in het kantoor?"
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Lisa vraagt of de klant al op kantoor is.
    (Lisa fragt, ob der Kunde schon im Büro ist.)
  4. Hinweis Hinweis (of) Mijn collega vraagt: "Heb je de e-mail gelezen?"
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mijn collega vraagt of ik de e-mail heb gelezen.
    (Mein Kollege fragt, ob ich die E‑Mail gelesen habe.)

Übung 4: Grammatik in Aktion

Anleitung: Sag deinem Partner, was andere über das Projekt gesagt oder gefragt haben.

Anzeigen/Übersetzung ausblenden
Situation
Je bent teamleider en informeert collega’s over taken en het project.
(Du bist Teamleiter und informierst Kolleginnen und Kollegen über Aufgaben und das Projekt.)

Diskutieren
  • Wat zei de projectleider gisteren over het systeem en de dringende taken? (Was sagte die Projektleiterin gestern über das System und die dringenden Aufgaben?)
  • Welke vragen stelde jouw collega over de meldingen en de organisatie van het werk?","Hoe vertelde jij aan iemand welke taken al voltooid waren? (Welche Fragen stellte dein Kollege zu den Meldungen und zur Organisation der Arbeit?)

Nützliche Wörter und Redewendungen
  • Het systeem werkt niet goed voor dringende meldingen. (Das System funktioniert nicht gut für dringende Meldungen.)
  • Vraag: Is de taak vandaag nog voltooid? (Frage: Wird die Aufgabe heute noch erledigt?)
  • De leider zei dat het project bijna voltooid was. (Die Projektleiterin sagte, dass das Projekt fast abgeschlossen war.)

Im Gespräch verwenden
  • Hij/zij zegt dat … (Er/sie sagt, dass …)
  • Hij/zij vroeg of … (Er/sie fragte, ob …)
  • Hij/zij zei dat … (verleden) (Er/sie sagte, dass … (Vergangenheit))

Geschrieben von

Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Wirtschaft und Sprachen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Zuletzt aktualisiert:

Freitag, 06/03/2026 03:16