Spelling verandert in de verleden tijd bij werkwoorden zoals reizen, hoeven, bakken, slagen.
(L'ortografia cambia al passato nei verbi come reizen, hoeven, bakken, slagen.)
- Ci sono verbi regolari che nel passato imperfetto (OVT) subiscono un cambiamento di suono dovuto alle regole dello spostamento vocalico, ma vengono comunque coniugati regolarmente.
- Se la radice termina con una s, ma il verbo completo termina con -zen, allora si aggiunge -den. Per esempio: reizen → reisde(n).
- Se la radice termina con una -f, ma l'intero verbo termina con -ven, si può aggiungere -den alla fine. Per esempio: leven → leefde(n).
- Se alla fine della radice c'è una consonante e alla fine della sillaba della radice c'è una vocale, allora cambiamo la vocale. Per esempio: klagen→ klaagde.
- Se il radice termina con due consonanti uguali, eliminarne una. Per esempio: bakken → bakte
| Reizen (Viaggiare) | Leven (Vivere) | Klagen (Lamentarsi) | Bakken (Cuocere) | |
|---|---|---|---|---|
| ik | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| jij, je | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| hij, zij, het | reisde | leefde | klaagde | bakte |
| wij, we | reisden | leefden | klaagden | bakten |
| jullie | reisden | leefden | klaagden | bakten |
| zij, ze | reisden | leefden | klaagden | bakten |
Esercizio 1: Imperfetto: verbi regolari con mutazione vocalica
Istruzione: Inserisci la parola corretta.
verhuisde, reisde, hoefde, pakte, vreesde, stopte, slaagde
Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli in ogni frase il tempo passato corretto del verbo.
Esercizio 3: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riformulate le frasi al passato imperfetto. Fate attenzione all'ortografia corretta dei verbi (per esempio: reizen, leven, klagen, bakken, slagen, hoeven).
-
Ik reis elke dag met de trein naar mijn werk.⇒ _______________________________________________ ExampleIk reisde elke dag met de trein naar mijn werk.(Ik reisde elke dag met de trein naar mijn werk.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij leefden gezond en aten veel groente en fruit.(Wij leefden gezond en aten veel groenten en fruit.)
-
De buurman klaagt elke avond over het lawaai in de straat.⇒ _______________________________________________ ExampleDe buurman klaagde elke avond over het lawaai in de straat.(De buurman klaagde elke avond over het lawaai in de straat.)
-
De bakker bakt op zondag altijd vers brood voor de buurt.⇒ _______________________________________________ ExampleDe bakker bakte op zondag altijd vers brood voor de buurt.(De bakker bakte op zondag altijd vers brood voor de buurt.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJullie hoefden gisteren niet te werken; het kantoor was dicht.(Jullie hoefden gisteren niet te werken; het kantoor was dicht.)
-
Ik slaag elk jaar voor al mijn cursussen Nederlands.⇒ _______________________________________________ ExampleIk slaagde elk jaar voor al mijn cursussen Nederlands.(Ik slaagde elk jaar voor al mijn cursussen Nederlands.)