Vocabulary (13)

De afwasmachine

De afwasmachine Show

The dishwasher Show

De koelkast

De koelkast Show

The refrigerator Show

De magnetron

De magnetron Show

The microwave Show

De oven

De oven Show

The oven Show

De stofzuiger

De stofzuiger Show

The vacuum cleaner Show

De vriezer

De vriezer Show

The freezer Show

De verwarming

De verwarming Show

The heating Show

De wasmachine

De wasmachine Show

The washing machine Show

Het strijkijzer

Het strijkijzer Show

The iron Show

Aanzetten

Aanzetten Show

To turn on Show

Uitzetten

Uitzetten Show

To turn off Show

Brengen

Brengen Show

To bring Show

Dienen

Dienen Show

To serve Show

Brengen (to bring)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) breng
(jij/je) brengt
(hij/zij/ze/het) brengt
(wij/we) brengen
(jullie) brengen
(zij/ze) brengen

Dienen (to serve)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) dien
(jij/je) dient
(hij/zij/ze/het) dient
(wij/we) dienen
(jullie) dienen
(zij/ze) dienen