Vocabulary (10)

De naam

De naam Show

The name Show

De voornaam

De voornaam Show

The first name Show

De achternaam

De achternaam Show

The last name Show

De meneer

De meneer Show

The gentleman / Mr. Show

De mevrouw

De mevrouw Show

The lady / Mrs. Show

De jongen

De jongen Show

The boy Show

Het meisje

Het meisje Show

The girl Show

Zich voorstellen

Zich voorstellen Show

To introduce oneself Show

Heten

Heten Show

To be called Show

Zeggen

Zeggen Show

To say Show

Heten (to be called)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) heet
(jij/je) heet
(hij/zij/ze/het) heet
(wij/we) heten
(jullie) heten
(zij/ze) heten

Zeggen (to say)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) zeg
(jij/je) zegt
(hij/zij/ze/het) zegt
(wij/we) zeggen
(jullie) zeggen
(zij/ze) zeggen