Exercise 1: Reorder sentences

Instruction: Make correct sentences.

Show answers
1.
ben | je? | oud | Hoe
Hoe oud ben je?
(How old are you?)
2.
ben | jaar. | Ik | dertig
Ik ben dertig jaar.
(I am thirty years old.)
3.
jarig? | je | Wanneer | ben
Wanneer ben je jarig?
(When is your birthday?)
4.
verjaardag met een | ik vier mijn | Ik ben in | klein feest. | mei jarig en
Ik ben in mei jarig en ik vier mijn verjaardag met een klein feest.
(My birthday is in May and I celebrate it with a small party.)
5.
een cadeau | Ik koop | eten taart | verjaardag. | op mijn | en we
Ik koop een cadeau en we eten taart op mijn verjaardag.
(I buy a gift and we eat cake on my birthday.)

Exercise 2: Match a word

Instruction: Match each beginning with its correct ending.

Hoe oud ben jij? Ik ben 32 jaar. (How old are you? I'm 32.)
Wanneer ben je jarig? Ik ben in mei jarig. (When is your birthday? My birthday is in May.)
Ik vier mijn verjaardag met taart en koffie. (I celebrate my birthday with cake and coffee.)
Voor mijn verjaardag koop ik een cadeau voor mezelf. (For my birthday I buy a gift for myself.)

Exercise 3: Listen and answer the questions

Instruction: Listen to the audio fragments and choose the correct answer to the questions.

1. Hoi, ik ben Zara. Ik ben achtentwintig jaar. Mijn verjaardag is op 3 mei en dan vier ik een klein feest met taart.

Wat vertelt Zara over zichzelf?

(What does Zara say about herself?)
2. Hoi oma, met Daan. Hoe oud ben je nu? Ben je vandaag jarig? Ik heb een cadeau en ik kom straks naar je verjaardag.

Wat vraagt Daan aan zijn oma?

(What does Daan ask his grandma?)

Exercise 4: Multiple Choice

Instruction: Choose the correct solution

1. Hoe oud ___ jij dit jaar?

(How old ___ you this year?)

2. Wanneer ___ je 30 jaar?

(When ___ you 30?)

3. Mijn dochter ___ morgen vier jaar oud.

(My daughter ___ four years old tomorrow.)

Exercise 5: Dialogue Cards

Instruction: Practice the conversation with your teacher or fellow students.

Exercise 6: Respond to the situation

Instruction: Practice in pairs or with your teacher.

1. Je bent op je werk. Het is de verjaardag van een collega. Loop naar hem/haar toe en zeg iets kort en vriendelijk. (Gebruik: Gelukkige verjaardag!, de verjaardag, jarig zijn)

(You are at work. It’s a colleague’s birthday. Walk up to them and say something short and friendly. (Use: Gelukkige verjaardag!, de verjaardag, jarig zijn))

Gelukkige verjaardag!    

(Gelukkige verjaardag! ...)

Example:

Gelukkige verjaardag! Fijne dag op het werk en veel plezier vandaag.

(Gelukkige verjaardag! Fijne dag op het werk en veel plezier vandaag.)

2. Je bent op een netwerkborrel. Je praat met een nieuwe collega en wilt beleefd vragen hoe oud hij/zij is. (Gebruik: Hoe oud ben je?, jong, oud)

(You are at a networking event. You’re talking to a new colleague and want to politely ask how old they are. (Use: Hoe oud ben je?, jong, oud))

Hoe oud    

(Hoe oud ...)

Example:

Hoe oud ben je, als ik dat mag vragen?

(Hoe oud ben je, als ik dat mag vragen?)