Vocabulary (14)

De apotheek

De apotheek Show

The pharmacy Show

Het ziekenhuis

Het ziekenhuis Show

The hospital Show

De bibliotheek Show

The library Show

De spoed

De spoed Show

The emergency (department) Show

Het kantoor

Het kantoor Show

The office Show

Het postkantoor

Het postkantoor Show

The post office Show

De school

De school Show

The school Show

De universiteit

De universiteit Show

The university Show

De sportschool

De sportschool Show

The gym Show

De bakker

De bakker Show

The baker/bakery Show

Gebruiken

Gebruiken Show

To use Show

Koken

Koken Show

To cook Show

Wachten

Wachten Show

To wait Show

Klaar

Klaar Show

Ready Show

Gebruiken (to use)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb gebruikt
(jij/je) hebt/heb gebruikt
(hij/zij/ze/het) heeft gebruikt
(wij/we) hebben gebruikt
(jullie) hebben gebruikt
(zij/ze) hebben gebruikt

Wachten (to wait)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


(ik) heb gewacht
(jij/je) hebt gewacht / hebt gewacht
(hij/zij/ze/het) heeft gewacht
(wij/we) hebben gewacht
(jullie) hebben gewacht
(zij/ze) hebben gewacht

Koken (to cook)

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)


ik heb gekookt
(jij/je) jij hebt gekookt / heb jij gekookt?
(hij/zij/ze/het) hij/zij/het heeft gekookt
(wij/we) wij hebben gekookt
jullie hebben gekookt
(zij/ze) zij hebben gekookt