Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wat vertelt Zara over zichzelf?
Wat vraagt Daan aan zijn oma?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Hoe oud ___ jij dit jaar?
2. Wanneer ___ je 30 jaar?
3. Mijn dochter ___ morgen vier jaar oud.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je werk. Het is de verjaardag van een collega. Loop naar hem/haar toe en zeg iets kort en vriendelijk. (Gebruik: Gelukkige verjaardag!, de verjaardag, jarig zijn)
Gelukkige verjaardag!
Voorbeeld:
Gelukkige verjaardag! Fijne dag op het werk en veel plezier vandaag.
2. Je bent op een netwerkborrel. Je praat met een nieuwe collega en wilt beleefd vragen hoe oud hij/zij is. (Gebruik: Hoe oud ben je?, jong, oud)
Hoe oud
Voorbeeld:
Hoe oud ben je, als ik dat mag vragen?