A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 2:
Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Nieuwsbrief van de personeelsvereniging
Beste collega,
De personeelsvereniging van het ziekenhuis organiseert dit jaar elke een kleine activiteit. In de (maart, april, mei) gaan we na het werk samen wandelen in het park. In de (juni, juli, augustus) gaan we één keer naar het strand en eten we een ijsje. In de (september, oktober, november) drinken we koffie op het dakterras en kijken we naar de aan de bomen. In de (december, januari, februari) zitten we binnen met thee en praten we over onze plannen voor het nieuwe jaar. Veel collega’s zeggen: "Ik in juli op vakantie" of "Wij in december naar familie." Wat doe jij graag in elk seizoen?
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Wat gaat de man in april doen?
2. Wat plant de vrouw in augustus?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. In juli ___ ik op vakantie naar Italië.
2. In de winter ___ hij elke dag met de trein naar zijn werk.
3. In april ___ wij een korte cursus Nederlands volgen.
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Vakantie plannen in de zomer
Collega Mark: Show Ik wil in juli op vakantie gaan; dan is het zomer.
Collega Sara: Show Juli is lekker, in de zomer is het vaak warm in Nederland.
Collega Mark: Show Ja, augustus is ook goed, maar ik verkies juli.
Collega Sara: Show Oké, dan plan ik mijn vakantie in juni; ook in de zomer, maar iets rustiger.
Open vragen:
1. In welke maand wil Mark op vakantie gaan?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Je plant vakantie met een collega. Jullie kijken naar het jaar. Vraag in welke maand je collega op vakantie gaat. (Gebruik: de maand, vakantie, werken)
In welke maand
Voorbeeld:
In welke maand ga je op vakantie?
2. Je belt met de huisartsassistente voor een afspraak. Jij kunt niet in de zomer, want dan ben je weg. Zeg in welk seizoen je liever een afspraak hebt. (Gebruik: de zomer, de winter, ik wil graag)
Ik wil liever
Voorbeeld:
Ik wil liever geen afspraak in de zomer, maar in de winter.
Oefening 7:
Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 tot 6 zinnen over wat jij dit jaar in elk seizoen gaat doen (privé of met collega’s).
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Nuttige uitdrukkingen:
Mijn favoriete seizoen is ... / In ... ga ik ... / In de zomer/winter/herfst/lente doe ik graag ... / Met mijn collega’s/vrienden/familie ga ik ...
Nederlands leren voor anderstaligen - Complete A1-cursus voor beginners
ISBN 979-13-88253-18-8
Deze app ondersteunt dit boek.