Wederkerende werkwoorden gebruiken een wederkerend voornaamwoord. Voorbeelden: zich wassen, zich scheren.
- Wederkerende werkwoorden gebruiken 'me', 'je', 'zich' als voornaamwoord.
| Persoon (Persoon) | Vervoeging (Vervoeging) | Wederkerend voornaamwoord (Wederkerend voornaamwoord) |
|---|---|---|
| Ik | was | me |
| Jij | wast | je |
| Hij/Zij | wast | zich |
| Wij | wassen | ons |
| Jullie | wassen | je |
| Zij | wassen | zich |
Oefening 1: Wederkerende werkwoorden (zich wassen, zich scheren)
Instructie: Vul het juiste woord in.
was me, scheert je, vergist zich, wassen zich, haasten je, herinner me, schaamt zich
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Ik sta om zeven uur op en dan was ik ___ snel voordat ik naar mijn werk ga.
2. Kun je ___ wat zachter wassen? De douche maakt nu veel lawaai.
3. Jullie wassen ___ en daarna gaan jullie ontbijten.
4. Na het sporten douchen we en scheren we ___ in de kleedkamer op het werk.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons). Voorbeeld: Ik was de handen. → Ik was me.
-
Wij wassen na het sporten.
-
Ik was elke ochtend om zeven uur.
-
Jij wast snel voor je werk.
-
De kinderen wassen voor het ontbijt.
-
Jullie wassen in de badkamer.
-
Mark scheert elke dag onder de douche.⇒ _______________________________________________ ExampleMark scheert zich elke dag onder de douche.