Wederkerende werkwoorden gebruiken een wederkerend voornaamwoord. Voorbeelden: zich wassen, zich scheren.

Wat is een wederkerend werkwoord?

Bij een wederkerend werkwoord doet het onderwerp iets met zichzelf.

  • Ik was me. → ik was mijzelf.
  • Jij scheert je. → jij scheert jezelf.
  • Hij kleedt zich aan. → hij kleedt zichzelf aan.

Daarvoor gebruik je een wederkerend voornaamwoord: me, je, zich, ons.

Overzicht: welk voornaamwoord hoort bij wie?

Persoon Voorbeeld
ik ik was me
jij / je jij wast je
hij / zij / het hij wast zich
wij / we wij wassen ons
jullie jullie wassen je
zij (meervoud) zij wassen zich

Waar zet je het wederkerend voornaamwoord?

In een gewone hoofdzin (onderwerp + persoonsvorm):

  1. Persoon
  2. Vervoegde vorm van het werkwoord
  3. Wederkerend voornaamwoord
  4. De rest van de zin
  • Ik was me snel.
  • Jij scheert je elke ochtend.
  • Wij ergeren ons aan het lawaai.
  • De kinderen wassen zich voor het slapen.

Controle: staat het wederkerend voornaamwoord direct na de persoonsvorm? Dan zit je meestal goed.

Let op het verschil: wassen of wassen + me/je/zich?

Veel cursisten vergeten het wederkerend voornaamwoord bij werkwoorden als wassen, scheren, aankleden.

  • Ik was in de douche.Ik was me in de douche.
  • Jij scheert elke ochtend.Jij scheert je elke ochtend.
  • Hij kleedt aan.Hij kleedt zich aan.

Vraag aan jezelf:

  • Was ik iemand anders? → zonder me/je/zich: Ik was de auto.
  • Was ik mijzelf? → met me/je/zich: Ik was me.

Als er nog een lijdend voorwerp is

Bij wassen heb je soms én een wederkerend voornaamwoord én een ander ding erbij.

  • Ik was me elke ochtend.
  • Ik was me elke ochtend mijn gezicht.

De volgorde blijft:

  1. persoonsvorm
  2. wederkerend voornaamwoord
  3. eventueel: ander voorwerp

Voorbeelden:

  • Hij scheert zich elke dag zijn baard.
  • Wij wassen ons na het sporten de handen.

Wanneer gebruik je welk voornaamwoord precies?

Twee punten zijn vaak lastig:

  • je bij jij/jullie
  • zich bij hij/zij/zij (meervoud)

Onthoud deze korte regels:

  • Bij jij of jullie gebruik je altijd je.
    Jij wast je. / Wast je je al? / Jullie wassen je.
  • Bij hij, zij (enk.) en zij (mv.) gebruik je altijd zich.
    Hij wast zich. / Zij wast zich. / Zij wassen zich.

Zelfcheck: heb ik het goed gedaan?

Loop bij elke zin deze korte checklist langs:

  1. Is het een handeling met mijzelf / jezelf / zichzelf?
    Ja → ga naar stap 2.
  2. Welk onderwerp heb ik?
    Ik → me / Jij, jullie → je / Hij, zij, zij (mv.) → zich / Wij → ons.
  3. Staat het wederkerend voornaamwoord direct na de persoonsvorm?
    Zo niet: verplaats het.

Controleer je zin daarna hardop:

  • Klopt de klank? (Klinkt het natuurlijk in het Nederlands?)
  • Klopt de betekenis? (Doe ik iets met mezelf?)

Wat moet je vooral onthouden?

  • Bij wederkerende werkwoorden hoort altijd een vorm van me, je, zich, ons.
  • Het wederkerend voornaamwoord staat direct na de vervoegde werkwoordsvorm.
  • Let extra op bij dagelijkse routines: wassen, scheren, aankleden, haasten, ergeren.
  • Vraag jezelf: doe ik dit met mijzelf of met iets / iemand anders?

Als je deze punten bewust toepast bij het maken van zinnen, kun je in de conversatieles vooral oefenen met spreken in plaats van met regels.

  1. Wederkerende werkwoorden gebruiken 'me', 'je', 'zich' als voornaamwoord.
PersoonVervoegingWederkerend voornaamwoord
Ikwasme
Jijwastje
Hij/Zijwastzich
Wijwassenons
Julliewassenje
Zijwassenzich

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik sta om zeven uur op en dan was ik ___ snel voordat ik naar mijn werk ga.


2. Kun je ___ wat zachter wassen? De douche maakt nu veel lawaai.


3. Jullie wassen ___ en daarna gaan jullie ontbijten.


4. Na het sporten douchen we en scheren we ___ in de kleedkamer op het werk.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons). Voorbeeld: Ik was de handen. → Ik was me.

Toon/verberg hints
  1. Wij wassen na het sporten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij wassen ons na het sporten.
  2. Ik was elke ochtend om zeven uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik was me elke ochtend om zeven uur.
  3. Jij wast snel voor je werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jij wast je snel voor je werk.
  4. De kinderen wassen voor het ontbijt.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De kinderen wassen zich voor het ontbijt.
  5. Jullie wassen in de badkamer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie wassen je in de badkamer.
  6. Mark scheert elke dag onder de douche.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mark scheert zich elke dag onder de douche.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel elkaar je ochtendroutine, vergelijk en geef tips om sneller te beginnen.

Situatie
Je bespreekt met een collega jullie ochtendroutine voordat je naar het werk gaat.

Bespreek
  • Hoe laat word je wakker en wat doe je eerst?
  • Wanneer douche je en wanneer was of scheer je je? Waarom?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik sta om ... uur op en was me daarna.
  • Thuis scheer ik me meestal voor het douchen.
  • Na het ontbijt kleed ik me aan en kam ik mijn haar.

Gebruik in gesprek
  • Ik was me om ... uur.
  • Hij/zij scheert zich elke dag.
  • Wij wassen ons snel voor het werk.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:36