Een zelfstandig naamwoord benoemt mensen, dieren of dingen, bijvoorbeeld: de stad, het boek, de taal.

  1. Zelfstandige naamwoorden hebben meestal een meervouds- en verkleiningsvorm.
  2. Bij een zelfstandig naamwoord hoort meestal een lidwoord.
  3. Een zelfstandig naamwoord kan een eigennaam zijn.
RegelMeervoudVoorbeeld
Woorden op 2 of 3 medeklinkers-enDe berg → De bergen
Woorden op -au, -ou, -ei, -ie-enDe klauw → De klauwen
Woorden op -el, -en, -em, -er-sDe tafel → De tafels
Verkleinwoorden-sHet kopje → De kopjes
Woorden op -a, -i, -o, -u, -y-’sDe auto → De auto's
Woorden op een dubbele klinker + medeklinker-en (verdwijnt een klinker)De maan → De manen
Woorden op -f of -s-v of -z + enDe brief → De brieven

Uitzonderingen!

  1. Sommige woorden verdubbelen de medeklinker in het meervoud.

Oefening 1: The noun (singular & plural)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

huizen, vrouwen, programma’s, steden, brieven, baby’s, talen, boeken

1. Boek:
Ik lees graag dikke ....
(Ik lees graag dikke boeken.)
2. Huis:
Er staan veel ... in deze straat.
(Er staan veel huizen in deze straat.)
3. Baby:
Mijn buurvrouw heeft twee ....
(Mijn buurvrouw heeft twee baby’s.)
4. Brief:
De ... zijn al verstuurd.
(De brieven zijn al verstuurd.)
5. Vrouw:
De ... werken samen in het bedrijf.
(De vrouwen werken samen in het bedrijf.)
6. Taal:
Welke ... spreken jullie?
(Welke talen spreken jullie?)
7. Programma:
De ... op tv zijn interessant.
(De programma’s op tv zijn interessant.)
8. Stad:
Er zijn veel ... in Nederland.
(Er zijn veel steden in Nederland.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In Amsterdam wonen veel mensen uit andere ______, maar de meeste mensen spreken Nederlands met de buren.


2. In mijn buurt liggen drie bekende ______: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.


3. In België spreken veel mensen twee ______: Nederlands en Frans.


4. In mijn bedrijf werken dertig collega’s uit tien verschillende ______ en steden.


Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen: zet het aangegeven zelfstandig naamwoord in het meervoud en pas de zin grammaticaal aan.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (tafels) Op mijn bureau staat één grote tafel.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Op mijn bureau staan twee grote tafels.
  2. Hint Hint (flats) In deze straat is één hoge flat.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In deze straat zijn veel hoge flats.
  3. Hint Hint (brieven) In de kast ligt een oude brief van mijn oma.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In de kast liggen oude brieven van mijn oma.
  4. Hint Hint (collega’s) In het buitenland heb ik één collega in Spanje.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In het buitenland heb ik drie collega’s in Spanje.
  5. Hint Hint (bussen) Op het plein zie ik één grijze bus en één rode tram.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Op het plein zie ik drie grijze bussen en twee rode trams.
  6. Hint Hint (kopjes) In mijn tas zit een klein kopje en een dun boek.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In mijn tas zitten twee kleine kopjes en drie dunne boeken.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 07/01/2026 18:15