Het zelfstandig naamwoord (enkelvoud & meervoud)
Haal je boekEen zelfstandig naamwoord benoemt mensen, dieren of dingen, bijvoorbeeld: de stad, het boek, de taal.
- Zelfstandige naamwoorden hebben meestal een meervouds- en verkleiningsvorm.
- Bij een zelfstandig naamwoord hoort meestal een lidwoord.
- Een zelfstandig naamwoord kan een eigennaam zijn.
| Regel | Meervoud | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Woorden op 2 of 3 medeklinkers | -en | De berg → De bergen |
| Woorden op -au, -ou, -ei, -ie | -en | De klauw → De klauwen |
| Woorden op -el, -en, -em, -er | -s | De tafel → De tafels |
| Verkleinwoorden | -s | Het kopje → De kopjes |
| Woorden op -a, -i, -o, -u, -y | -’s | De auto → De auto's |
| Woorden op een dubbele klinker + medeklinker | -en (verdwijnt een klinker) | De maan → De manen |
| Woorden op -f of -s | -v of -z + en | De brief → De brieven |
Uitzonderingen!
- Sommige woorden verdubbelen de medeklinker in het meervoud.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. In Amsterdam wonen veel mensen uit andere ______, maar de meeste mensen spreken Nederlands met de buren. In Amsterdam wonen veel mensen uit andere landen, maar de meeste mensen spreken Nederlands met de buren.
2. In mijn buurt liggen drie bekende ______: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. In mijn buurt liggen drie bekende steden: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.
3. In België spreken veel mensen twee ______: Nederlands en Frans. In België spreken veel mensen twee talen: Nederlands en Frans.
4. In mijn bedrijf werken dertig collega’s uit tien verschillende ______ en steden. In mijn bedrijf werken dertig collega’s uit tien verschillende landen en steden.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen: zet het aangegeven zelfstandig naamwoord in het meervoud en pas de zin grammaticaal aan.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
-
(tafels) Op mijn bureau staat één grote tafel.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldOp mijn bureau staan twee grote tafels.
-
(flats) In deze straat is één hoge flat.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIn deze straat zijn veel hoge flats.
-
(brieven) In de kast ligt een oude brief van mijn oma.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIn de kast liggen oude brieven van mijn oma.
-
(collega’s) In het buitenland heb ik één collega in Spanje.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIn het buitenland heb ik drie collega’s in Spanje.
-
(bussen) Op het plein zie ik één grijze bus en één rode tram.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldOp het plein zie ik drie grijze bussen en twee rode trams.
-
(kopjes) In mijn tas zit een klein kopje en een dun boek.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIn mijn tas zitten twee kleine kopjes en drie dunne boeken.