Lessen

A1.5 - Familie

A1.5 - Familie - Oefeningen

Haal je boek

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon antwoorden
1.
en mijn | twee kinderen. | mijn ouders | Dit zijn
Dit zijn mijn ouders en mijn twee kinderen.
2.
niet in | zus wonen | en mijn | Nederland. | Mijn broer
Mijn broer en mijn zus wonen niet in Nederland.
3.
kleinkind. | met het | en oma | praten graag | Onze opa
Onze opa en oma praten graag met het kleinkind.
4.
uw gezin | hele familie? | Is dit | dit uw | of is
Is dit uw gezin of is dit uw hele familie?
5.
jij? | zussen | broers | Hoeveel | heb | en
Hoeveel broers en zussen heb jij?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Dit is mijn moeder, ze woont in Utrecht.
Heb je broers of zussen, of ben je enig kind?
Mijn ouders komen vanavond op bezoek.
Ik heb twee kinderen: een zoon en een dochter.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis NL

Audio voorbereiden…

1. Waar spreekt Tom vooral over?

Gratis NL

Audio voorbereiden…

2. Wat vertelt Sara over haar gezin?

Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen

Instructie: Kies de juiste oplossing

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Ik ___ met mijn zus over onze ouders.


2. Mijn collega ___ graag over zijn gezin.


3. Wij ___ met jouw ouders tijdens de pauze.


Oefening 5: Dialoogbegrip

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis NL

Audio voorbereiden…

Koffiepauze met nieuwe collega

Nieuwe collega Mark: Show Hoi, ik ben Mark. Ik werk hier sinds maandag.

Jij: Show Hoi Mark, ik ben Sara. Ik werk op de marketingafdeling.

Nieuwe collega Mark: Show Woon jij hier in de buurt? Woon je met je gezin?

Jij: Show Ja, ik woon hier met mijn man en twee kinderen: een zoon en een dochter.


Open vragen:

1. Hoeveel kinderen heeft Sara?

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands bedrijf. In de pauze vraagt een collega: “Heb jij een groot gezin?” Vertel kort over jouw gezin. (Gebruik: het gezin, ik heb, wonen)

Mijn gezin is    

Voorbeeld:

Mijn gezin is klein. Ik heb één kind en we wonen in Amsterdam.

2. Je bent op een netwerkborrel. Iemand vraagt: “Heb je broers of zussen?” Vertel kort over jouw broer of zus. (Gebruik: de broer, de zus, ik heb, werken / studeren)

Ik heb een    

Voorbeeld:

Ik heb een broer. Hij werkt in een ziekenhuis.

Nederlands leren voor anderstaligen - Complete A1-cursus voor beginners

ISBN 979-13-88253-18-8

Deze app ondersteunt dit boek.

Amazon.nl