Voorzetsels die een richting aangeven, zoals door, naar, langs. Bijvoorbeeld: Ik ga naar de stad.

Wat leer je hier?

  • Je herkent voorzetsels van richting: door, naar, langs, om, over, tot, van … naar ….
  • Je ziet het verschil in betekenis tussen deze voorzetsels.
  • Je gebruikt ze zelf in korte zinnen over reizen en route uitleggen.

Eerst: beweging of plaats?

In dit hoofdstuk gaat het om beweging: iets of iemand gaat ergens heen.

  • met beweging: De bus rijdt naar het station.
  • zonder beweging (plaats): De bus staat bij het station. (niet in deze les)

Vraag jezelf steeds af: Gebeurt er beweging? Dan heb je een richtingsvoorzetsel nodig.

Overzicht: welke richting geef je aan?

Voorzetsel Basisbetekenis (beeld) Korte vraag
naar richting een punt / doel Waarheen ga je?
door door de binnenkant van iets Waardoor ga je?
langs naast iets, parallel Waar loop je naast?
om rondom iets heen Waar ga je omheen?
over bovenop of erboven (brug, viaduct) Waar ga je overheen?
tot tot het einde / tot een grens Tot waar ga je?
van … naar … startpunt én eindpunt Vanwaar naar waar?

1. naar: naar een doel toe

naar gebruik je voor de richting naar een plaats.

  • Ik ga naar de stad.
  • De bus rijdt naar het station.
  • We vliegen morgen naar Spanje.

Typische combinaties:

  • naar huis / naar kantoor / naar de supermarkt
  • naar Amsterdam / naar Utrecht

Zelfcheck: Kun je er een punt op de kaart bij tekenen? Dan is naar meestal goed.

2. van … naar …: van start naar eind

Met van … naar … laat je begin én eind zien.

  • Ik reis van Amsterdam naar Rotterdam.
  • Hij fietst elke dag van huis naar zijn werk.

Denk in twee stappen:

  1. van + startpunt
  2. naar + eindpunt

Ik reis naar Amsterdam naar Rotterdam. → Onvolledig en onlogisch.

3. door en langs: niet hetzelfde

Deze twee worden vaak door elkaar gehaald. Het beeld helpt.

3a. door: via de binnenkant

  • Je gaat in iets en komt er aan de andere kant weer uit.
  • Ik fiets door het park. (door het park heen)
  • We rijden door de tunnel.
  • Ik loop door de straat. (je bent in de straat)

Fout die veel cursisten maken:

  • Ik ga door het station. als je bedoelt: je eindigt bij het station.
  • Goed: Ik ga naar het station. (doel)

3b. langs: ernaast, parallel

  • Je blijft naast iets, je gaat er niet in.
  • We lopen langs de rivier.
  • De bus rijdt langs mijn huis.
  • Ik loop langs het park. (naast het park, niet erin)

Handige truc:

  • Denk aan een lijn. Ben je op de lijn → vaak door.
  • Ben je naast de lijn → vaak langs.

4. om: rondom iets heen

om gebruik je als je niet over of door iets gaat, maar er rondom heen.

  • We rijden met de auto om het gebouw heen.
  • Ik loop om het plein.
  • De taxi rijdt om het station heen en stopt dan rechts.

Beeld: je tekent een cirkel rond het object.

5. over: over een brug, straat of water

over gebruik je als je iets hoger ligt dan de ruimte eronder.

  • De fietsers rijden over de brug.
  • Het vliegtuig vliegt over de stad.
  • De tram rijdt over het water naar de andere kant.

Vaak in combinatie met:

  • over de brug / over het viaduct
  • over de snelweg (met een brug)

Let op: Bij lopen/fietsen:

  • Ik loop over de markt. (je loopt óp de markt, tussen de kramen)
  • Ik loop door de markt. (kan ook, nadruk op "erdoorheen")

Op A1-niveau is dat verschil nog niet heel belangrijk. Beide zijn meestal acceptabel.

6. tot: tot een punt, dan stop

tot gebruik je voor een eindpunt als grens.

  • We lopen tot het einde van de straat.
  • Je rijdt met de auto tot het parkeerterrein.
  • Loop tot de tweede rotonde.

Verschil met naar (in route-taal):

  • naar = richting een doel (zonder focus op waar je stopt).
  • tot = je gaat precies tot dat punt en dan is het klaar.

7. Veelgemaakte combinaties (handig om te onthouden)

Situatie Vaak gebruikt Voorbeeldzin
Naar een stad/land naar Ik reis morgen naar Berlijn.
Van thuis naar werk van … naar … Ik ga van huis naar kantoor.
Door een park/tunnel door Ik fiets door de tunnel.
Langs water/weg langs We lopen langs de gracht.
Rond een gebouw om De bus rijdt om het centrum heen.
Brug, viaduct over Je rijdt over de brug.
Tot een grens tot Loop tot de hoek.

8. Stap-voor-stap: zo kies je het juiste voorzetsel

  1. Wat is het doel?
    • Eén duidelijk punt (station, stad, huis)? → meestal naar.
    • Begin én eind belangrijk? → van … naar ….
  2. Ga je ín iets, erdoorheen?
    • Ja → door (door het park, door de tunnel).
    • Nee, je blijft ernaast → misschien langs.
  3. Blijf je ernaast, parallel?
    • Ja → langs (langs de rivier, langs de weg).
  4. Ga je eromheen (cirkel)?
    • Ja → om (om het plein, om het gebouw heen).
  5. Is er een brug of iets hoger dan de rest?
    • Ja → over (over de brug, over het viaduct).
  6. Wil je een "tot hier en niet verder"-punt?
    • Ja → tot (tot het einde van de straat).

9. Snelle zelfcheck: klopt mijn zin?

  • 1. Is er beweging (gaan, lopen, rijden, reizen, fietsen)?
  • 2. Zie je voor je op de kaart van waar naar waar je gaat?
  • 3. Kun je uitleggen waarom je door / langs / om / over / tot kiest?

Test jezelf met een paar eigen zinnen (bijvoorbeeld over je woon-werkverkeer) en kijk of je:

  • minstens één keer naar gebruikt,
  • minstens één keer door of langs,
  • en één keer van … naar ….

Als je bij elke keuze de richting kunt uitleggen, beheers je deze voorzetsels op dit niveau goed.

VoorzetselVoorbeeld
doorDe auto rijdt door de straat.
naarIk ga naar de stad.
langsWe lopen langs de rivier.
omDe bus rijdt om het gebouw.
overHet vliegtuig vliegt over de stad.
totWe lopen tot het einde van de straat.
van ... naar ...Ik reis van Amsterdam naar Rotterdam.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik fiets elke ochtend ___ het station en ga dan met de trein naar Amsterdam.


2. We lopen ___ de gracht en gaan dan naar de tramhalte.


3. Je rijdt met de auto ___ het parkeerterrein en gaat daarna verder te voet.


4. Ik reis elke week ___ Utrecht ___ Rotterdam met de trein.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste richtingsvoorzetsel (door, naar, langs, om, over, tot, van … naar …) zodat de richting duidelijk is.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (door) Ik loop de straat. (ik zie veel winkels)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik loop door de straat.
  2. Hint Hint (naar) Wij gaan de supermarkt. (we willen boodschappen doen)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij gaan naar de supermarkt.
  3. Hint Hint (langs) De kinderen lopen het park en kijken naar de bomen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De kinderen lopen langs het park en kijken naar de bomen.
  4. Hint Hint (om) De taxi rijdt het station en stopt dan rechts.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De taxi rijdt om het station heen en stopt dan rechts.
  5. Hint Hint (over) De fietsers rijden de brug en gaan naar het centrum.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De fietsers rijden over de brug en gaan naar het centrum.
  6. Hint Hint (van ... naar ...) Ik reis Amsterdam Rotterdam voor mijn werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik reis van Amsterdam naar Rotterdam voor mijn werk.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Leg kort uit hoe jij elke ochtend naar kantoor gaat en terugkeert.

Situatie
Je collega is nieuw in de stad en vraagt hoe hij het beste naar kantoor kan gaan.

Bespreek
  • Hoe ga jij van huis naar werk en weer naar huis?
  • Welke vervoermiddelen gebruik je en waarom?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik ga met de metro van huis naar kantoor.
  • De bus rijdt langs mijn straat naar het station.
  • Ik fiets van het station naar het werk door het park.

Gebruik in gesprek
  • naar
  • langs
  • van ... naar ...

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:35