Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Hoeveel appels koopt de vrouw in totaal?
Wat doen de cursisten in deze les?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. In de les ___ we samen van één tot honderd.
2. Ik ___ mijn telefoonnummer langzaam: nul, één, twee, drie, vier.
3. Op de universiteit ___ hij Nederlands en hij oefent met cijfers.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent nieuw op je werk. Een collega vraagt: “Wat is je telefoonnummer?” Antwoord en zeg je nummer langzaam met losse cijfers. (Gebruik: de cijfers, langzaam, herhalen)
Mijn telefoonnummer is
Voorbeeld:
Mijn telefoonnummer is nul zes drie vier twee één vijf acht.
2. Je bent op de markt. Je wilt appels kopen. De verkoper vraagt: “Hoeveel appels wilt u?” Antwoord met een klein aantal. (Gebruik: één, twee, drie, alstublieft)
Ik wil graag
Voorbeeld:
Ik wil graag drie appels, alstublieft.