Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
alstublieft langzaam | Kunt u | één tot | tien? | tellen van
Kunt u alstublieft langzaam tellen van één tot tien?
2.
met tellen | tot honderd. | Ik leer | ik oefen | Nederlands en
Ik leer Nederlands en ik oefen met tellen tot honderd.
3.
dit brood? | hardop optellen? | de prijs | Kunt u | Wat kost
Wat kost dit brood? Kunt u de prijs hardop optellen?
4.
acht, negen. | vier, vijf, | Mijn telefoonnummer | zes, drie, | is nul | zes, zeven,
Mijn telefoonnummer is nul zes, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen.
5.
twee, vier, zes, | acht personen. | verdelen we de | In de les | groep in tweeën:
In de les verdelen we de groep in tweeën: twee, vier, zes, acht personen.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik tel tot twintig en dan stop ik.
In de winkel kost het vijftig euro.
Kun je dertig en vier optellen, alsjeblieft?
Ik leer de cijfers tot honderd.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Goedemiddag. Ik wil appels kopen. Ik neem zes rode appels en vier groene appels. Dat is in totaal tien appels.

Hoeveel appels koopt de vrouw in totaal?

2. Hallo, ik ben docent Nederlands. Vandaag tellen we van één tot twintig. We oefenen ook optellen: drie plus zeven is tien.

Wat doen de cursisten in deze les?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. In de les ___ we samen van één tot honderd.


2. Ik ___ mijn telefoonnummer langzaam: nul, één, twee, drie, vier.


3. Op de universiteit ___ hij Nederlands en hij oefent met cijfers.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent nieuw op je werk. Een collega vraagt: “Wat is je telefoonnummer?” Antwoord en zeg je nummer langzaam met losse cijfers. (Gebruik: de cijfers, langzaam, herhalen)

Mijn telefoonnummer is    

Voorbeeld:

Mijn telefoonnummer is nul zes drie vier twee één vijf acht.

2. Je bent op de markt. Je wilt appels kopen. De verkoper vraagt: “Hoeveel appels wilt u?” Antwoord met een klein aantal. (Gebruik: één, twee, drie, alstublieft)

Ik wil graag    

Voorbeeld:

Ik wil graag drie appels, alstublieft.