A1.4 - Getallen en tellen
A1.4 - Getallen en tellen

A1.4 - Getallen en tellen - Oefeningen

Getallen en tellen


Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon antwoorden
1.
één tot | Kunt u | alstublieft langzaam | tien? | tellen van
Kunt u alstublieft langzaam tellen van één tot tien?
2.
met tellen | Nederlands en | tot honderd. | ik oefen | Ik leer
Ik leer Nederlands en ik oefen met tellen tot honderd.
3.
hardop optellen? | de prijs | Kunt u | Wat kost | dit brood?
Wat kost dit brood? Kunt u de prijs hardop optellen?
4.
vier, vijf, | acht, negen. | zes, drie, | is nul | Mijn telefoonnummer | zes, zeven,
Mijn telefoonnummer is nul zes, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen.
5.
twee, vier, zes, | In de les | groep in tweeën: | acht personen. | verdelen we de
In de les verdelen we de groep in tweeën: twee, vier, zes, acht personen.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Ik tel tot twintig en dan stop ik.
In de winkel kost het vijftig euro.
Kun je dertig en vier optellen, alsjeblieft?
Ik leer de cijfers tot honderd.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.

Hoeveel appels koopt de vrouw in totaal?

2.

Wat doen de cursisten in deze les?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. In de les ___ we samen van één tot honderd.


2. Ik ___ mijn telefoonnummer langzaam: nul, één, twee, drie, vier.


3. Op de universiteit ___ hij Nederlands en hij oefent met cijfers.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Oefening 6: Reageer op de situatie (QR: AI+)

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je bent nieuw op je werk. Een collega vraagt: “Wat is je telefoonnummer?” Antwoord en zeg je nummer langzaam met losse cijfers. (Gebruik: de cijfers, langzaam, herhalen)

Mijn telefoonnummer is    

Voorbeeld:

Mijn telefoonnummer is nul zes drie vier twee één vijf acht.

2. Je bent op de markt. Je wilt appels kopen. De verkoper vraagt: “Hoeveel appels wilt u?” Antwoord met een klein aantal. (Gebruik: één, twee, drie, alstublieft)

Ik wil graag    

Voorbeeld:

Ik wil graag drie appels, alstublieft.