Woordenschat (13)

Het appartement

Het appartement Show

Het appartement Show

Het hotel

Het hotel Show

Het hotel Show

Het huis

Het huis Show

Het huis Show

De kamer

De kamer Show

De kamer Show

De loft

De loft Show

De loft Show

De villa

De villa Show

De villa Show

Het rijhuis

Het rijhuis Show

Het rijhuis Show

De eigenaar

De eigenaar Show

De eigenaar Show

De huisbaas

De huisbaas Show

De huisbaas Show

De hypotheek

De hypotheek Show

De hypotheek Show

Huren

Huren Show

Huren Show

Reserveren

Reserveren Show

Reserveren Show

Leven

Leven Show

Leven Show

Huren (huren)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) huur
(jij/je) huurt
(hij/zij/ze/het) huurt
(wij/we) huren
(jullie) huren
(zij/ze) huren

Leven (leven)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) leef
(jij/je) leeft
(hij/zij/ze/het) leeft
(wij/we) leven
(jullie) leven
(zij/ze) leven