A1.7 - Beroepen en studies
A1.7 - Beroepen en studies

A1.7 - Beroepen en studies - Oefeningen

Beroepen en studies


Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
uw | beroep? | Wat | is
Wat is uw beroep?
2.
ik werk | leraar en | Ik ben | middelbare school. | op een
Ik ben leraar en ik werk op een middelbare school.
3.
uw team? | manager van | Wie is | de nieuwe
Wie is de nieuwe manager van uw team?
4.
de universiteit. | Ik ben | techniek aan | student en | ik studeer
Ik ben student en ik studeer techniek aan de universiteit.
5.
doe | Welke | studie | nu? | jij
Welke studie doe jij nu?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik ben student en ik studeer in Amsterdam.
Wat studeer jij aan de universiteit?
Mijn buurman is dokter in het ziekenhuis.
Wie werkt er als brandweerman?

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ik ben Sarah. Ik werk in het ziekenhuis als verpleger. En jij, wat voor werk doe jij?

Wat zegt Sarah over haar werk?

2. Hoi, ik ben Tom. Ik ben student en ik studeer rechten in Amsterdam. Mijn vriendin studeert ook; zij wil ingenieur worden.

Wat studeert Tom?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ als ingenieur in Amsterdam.


2. Wat ___ jij als je niet aan je studie werkt?


3. Mijn zus ___ als dokter in een groot ziekenhuis.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Stel je kort voor aan iemand die je nog niet kent. Zeg wie je bent en wat jouw beroep is. (Gebruik: de leraar, werken als, op kantoor)

Ik werk als    

Voorbeeld:

Ik werk als leraar op een kleine taalschool in Amsterdam.

2. Je zit naast een nieuwe collega in de kantine. Vraag op een eenvoudige manier wat zijn of haar beroep is. (Gebruik: de dokter, de ingenieur, wat doe jij?)

Wat doe jij    

Voorbeeld:

Wat doe jij voor werk? Werk je als ingenieur?