Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wat zegt Sarah over haar werk?
Wat studeert Tom?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ als ingenieur in Amsterdam.
2. Wat ___ jij als je niet aan je studie werkt?
3. Mijn zus ___ als dokter in een groot ziekenhuis.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Stel je kort voor aan iemand die je nog niet kent. Zeg wie je bent en wat jouw beroep is. (Gebruik: de leraar, werken als, op kantoor)
Ik werk als
Voorbeeld:
Ik werk als leraar op een kleine taalschool in Amsterdam.
2. Je zit naast een nieuwe collega in de kantine. Vraag op een eenvoudige manier wat zijn of haar beroep is. (Gebruik: de dokter, de ingenieur, wat doe jij?)
Wat doe jij
Voorbeeld:
Wat doe jij voor werk? Werk je als ingenieur?