Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Na mijn werk fiets ik vaak naar de sportschool.
Wij spelen elke vrijdag voetbal met collega’s in het park.
In het weekend zwem ik soms met mijn kinderen.
Ik loop nooit naar het werk, ik ga altijd met de tram.

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Inschrijven voor de sportdag op het werk

Vul de lege plekken in: sportdag, vaak, loopronde, wedstrijd, nooit, voetbal, sporten, bewegen, altijd, sport, fietsen, sportdag, tennis

(Inschrijven voor de sportdag op het werk)

Op kantoor hangt een poster voor de . De is op zaterdag in een park in de stad. Collega’s kunnen samen en . Er is , en een korte . Je kunt ook rustig met een kleine groep.

Iedereen kiest één . De directeur loopt mee met de loopronde. Sommige collega’s sporten , andere bijna . De organisatie vraagt: schrijf je in voor één activiteit. Op het formulier kun je schrijven: ik wil zwemmen, lopen, fietsen of een teamsport spelen. Na de drinken alle collega’s samen koffie of thee.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Ik werk in Amsterdam en ik fiets vaak naar mijn werk. Na het werk sport ik soms in de sportschool. Ik zwem nooit; ik vind lopen leuker.

Hoe gaat de man meestal naar zijn werk?

2. In het weekend speel ik altijd voetbal met vrienden in het park. Soms kijken we daarna samen naar een wedstrijd op tv. Ik doe nooit aan tennis.

Welke sport speelt de vrouw in het weekend met haar vrienden?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ soms in het zwembad naast mijn kantoor.


2. Na het werk ___ ik gisteren met mijn collega in het park gesport.


3. Wij ___ vaak op vrijdagavond een vriendschappelijke voetbalwedstrijd.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je collega vraagt in de pauze: "Doe jij aan sport?" Vertel kort over jouw sport. (Gebruik: de sport, sporten, ik doe aan)

Mijn sport is    

Voorbeeld:

Mijn sport is voetbal.

2. Je wilt na het werk met een collega gaan fietsen. Doe een voorstel voor een dag en tijd. (Gebruik: fietsen, na het werk, afspreken)

Zullen we    

Voorbeeld:

Zullen we morgen na het werk fietsen?

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Onderwerp: Nieuwe sportcursus na het werk

Beste buurtbewoner,

In het buurthuis starten we een nieuwe cursus sport en bewegen voor volwassenen. U kunt samen met andere buren sporten: bijvoorbeeld voetbal, basketbal, tennis of gewoon lopen en fietsen.

De cursus is op dinsdag- en donderdagavond. We willen graag weten: welke sport doet u nu? En hoe vaak sport u? (bijvoorbeeld: altijd, vaak, soms, nooit).

Kunt u ons een korte e-mail terugsturen?

Met vriendelijke groet,
Sanne de Jong
Buurtsportcoördinator


Onderwerp: Nieuwe sportcursus na het werk

Beste buurtbewoner,

In het buurthuis starten we een nieuwe cursus sport en bewegen voor volwassenen. U kunt samen met andere buren sporten: bijvoorbeeld voetbal, basketbal, tennis of gewoon lopen en fietsen.

De cursus is op dinsdag- en donderdagavond. We willen graag weten: welke sport doet u nu? En hoe vaak sport u? (bijvoorbeeld: altijd, vaak, soms, nooit).

Kunt u ons een korte e-mail terugsturen?

Met vriendelijke groet,
Sanne de Jong
Buurtsportcoördinator


Nuttige zinnen:

  1. Ik doe nu aan ...

  2. Ik sport ... keer per week.

  3. Ik wil graag meedoen met ...

Beste Sanne,

Dank voor uw e-mail. Ik doe nu aan tennis. Ik sport twee keer per week. Ik speel op woensdag en op zaterdag. Ik fiets ook vaak naar mijn werk. Soms ga ik in het weekend lopen in het park.

Ik wil graag meedoen met de cursus op dinsdagavond.

Met vriendelijke groet,

[Je naam]