Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wat vertelt Ana over zichzelf?
Wat is waar over Thomas?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Waar ___ jij nu, in welke stad in Nederland?
2. Ik kom uit Polen, maar ik ___ in de hoofdstad Amsterdam.
3. Waar ___ je vandaan en welke taal spreek je thuis?
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je eerste werkdag in Nederland. In de pauze praat je met een collega. Jij wilt weten waar hij vandaan komt. Stel een eenvoudige vraag. (Gebruik: Waar kom je vandaan?, de stad, het land)
Waar kom je
Voorbeeld:
Waar kom je vandaan?
2. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Iemand vraagt: "Waar kom jij vandaan?" Zeg uit welk land je komt. (Gebruik: Nederland, België, Frankrijk, Spanje, Polen, Duitsland)
Ik kom uit
Voorbeeld:
Ik kom uit Polen.