Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Met de trein naar Utrecht Centraal
Vul de lege plekken in: naar, fiets, laptop, trein, ticket, naar, rijdt, retourticket
(Met de trein naar Utrecht Centraal)
Veel mensen in Nederland reizen met de naar hun werk. Op Utrecht Centraal zie je elke dag veel reizigers. Ze komen met de naar het station en zetten de fiets in de stalling. Daarna lopen ze het perron. De trein door de stad en stopt op verschillende stations.
Op een bord staat: “Intercity van Amsterdam Utrecht.” De trein komt om 8.15 uur en vertrekt om 8.18 uur. Je kunt een kopen bij een automaat of via een app op je telefoon. Met een ga je van Amsterdam naar Utrecht en later weer terug. In de trein kun je zitten, een boek lezen of op je werken.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Waarheen wil de spreker reizen?
Hoe gaat de spreker naar zijn werk?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Elke ochtend ___ ik met de fiets van mijn huis naar het station.
2. De bus ___ van het centrum naar mijn kantoor langs het park.
3. Het vliegtuig ___ over de stad naar Amsterdam.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent nieuw op je werk. Een collega vraagt: "Hoe kom jij elke dag naar kantoor?" Antwoord in één zin en zeg welk vervoermiddel je gebruikt. (Gebruik: De fiets, met de auto, met de trein)
Ik kom met
Voorbeeld:
Ik kom met de fiets naar kantoor.
2. Je bent op het station. Je wilt een kaartje naar Amsterdam kopen. Je spreekt de medewerker bij de balie aan. Vraag om een kaartje. (Gebruik: De trein, kaartje, retour)
Ik wil graag
Voorbeeld:
Ik wil graag een retourkaartje naar Amsterdam voor de trein.
Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Nora 👩💻
Hoi, morgen gaan we naar het kantoor in Utrecht. Hoe ga jij naar het werk?
Ik ga met de trein van Amsterdam naar Utrecht Centraal. Daarna neem ik de bus naar het kantoor.
Ik neem de trein van 08:00 uur. Wil jij ook met de trein, of met de auto of de fiets?
Laat je het even weten?
Nora 👩
Hoi, morgen gaan we naar het kantoor in Utrecht. Hoe ga jij naar het werk?
Ik ga met de trein van Amsterdam naar Utrecht Centraal. Daarna neem ik de bus naar het kantoor.
Ik neem de trein van 08:00 uur. Wil jij ook met de trein, of met de auto of de fiets?
Laat je het even weten?
Nuttige zinnen:
-
Ik ga morgen met ...
-
Ik neem de trein/bus om ... uur.
-
We kunnen samen reizen van ... naar ...
Dank je voor je bericht. Ik ga ook met de trein naar Utrecht. Ik neem de trein van 08:00 uur van Amsterdam naar Utrecht Centraal.
Vanaf het station neem ik samen met jou de bus naar het kantoor. Ik ben om ongeveer 08:45 uur bij het kantoor.
Tot morgen!