Verkleinwoorden
Haal je boekVerkleinwoorden worden gevormd door een achtervoegsel toe te voegen aan een zelfstandig naamwoord, zoals jasje, deurtje, armpje.
- Verkleinwoorden eindigen op -je, -tje, -etje, -kje, -pje.
- De spelling verandert soms: woning → woninkje.
- Bepaald lidwoord: Verkleinwoorden krijgen altijd 'het' als lidwoord.
| Zelfstandig naamwoord | Verkleinwoord |
|---|---|
| de jas | het jasje |
| de deur | het deurtje |
| de weg | het weggetje |
| de woning | het woninkje |
| de arm | het armpje |
| de boom | het boompje |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Ik doe snel mijn ___ uit, ik ben helemaal bezweet na de fietstocht naar kantoor. Ik doe snel mijn jasje uit, ik ben helemaal bezweet na de fietstocht naar kantoor.
2. De dokter kijkt naar mijn ___, want ik ben daar geblesseerd. De dokter kijkt naar mijn armpje, want ik ben daar geblesseerd.
3. Ik ga even op het ___ bij de boom zitten om te rusten en te mediteren. Ik ga even op het bankje bij de boom zitten om te rusten en te mediteren.
4. Hij woont in een klein ___ naast een druk weggetje; hij is vaak moe van het lawaai. Hij woont in een klein woninkje naast een druk weggetje; hij is vaak moe van het lawaai.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen: maak van het zelfstandig naamwoord een verkleinwoord en gebruik het juiste lidwoord 'het'.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
-
De jas is nat.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHet jasje is nat.
-
Ik doe de deur dicht.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk doe het deurtje dicht.
-
Wij lopen op de weg.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWij lopen op het weggetje.
-
Zij zoekt een woning in Utrecht.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldZij zoekt een woninkje in Utrecht.
-
Hij voelt pijn in zijn arm.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHij voelt pijn in zijn armpje.
-
Voor het huis staat een boom.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldVoor het huis staat een boompje.