De bijwoorden van frequentie geven aan hoe vaak iets gebeurt. Voorbeelden zijn dikwijls, altijd, nooit, en soms.

Wat zijn bijwoorden van frequentie?

  • Bijwoorden van frequentie zeggen hoe vaak iets gebeurt.
  • Voorbeelden: altijd, nooit, dikwijls, soms, af en toe, telkens.

Je gebruikt deze woorden vooral om over gewoontes en routines te praten.

Bijwoord Betekenis (ongeveer) Voorbeeld
altijd 100% van de tijd Ik drink altijd koffie in de ochtend.
dikwijls vaak, regelmatig Wij gaan dikwijls uit eten.
soms af en toe, niet zo vaak Hij werkt soms thuis.
af en toe minder vaak dan soms, incidenteel Ik neem af en toe de taxi.
nooit 0% van de tijd Zij rookt nooit.
telkens elke keer als … Telkens als ik hem zie, lachen we.

Basisregel: plaats in een hoofdzin

In een hoofdzin (gewone zin) staat het werkwoord meestal op positie 2.

Het bijwoord van frequentie komt dan direct na het werkwoord.

  • Schema hoofdzin: Onderwerp – werkwoordbijwoord – rest van de zin
Goed Fout
Ik sport altijd in de sportschool. Ik altijd sport in de sportschool.
Wij gaan af en toe naar de bioscoop. Wij af en toe gaan naar de bioscoop.
Hij loopt soms hard in het park. Hij soms loopt hard in het park.

Zelfcheck: Kun je in je zin het onderwerp en het eerste werkwoord vinden?
Staat het bijwoord direct erachter? Dan is het meestal goed.

Plaats in een bijzin (met "als", "omdat", "dat" …)

In een bijzin staat het werkwoord op het eind.

Het bijwoord van frequentie staat dan meestal voor het werkwoord.

  • Schema bijzin: … voegwoord – onderwerp – rest – bijwoordwerkwoord
Goed Fout
Als ik tijd heb, maak ik soms een wandeling. Als ik tijd heb, ik soms maak een wandeling.
Als ik moe ben, maak ik dikwijls een wandeling in het park. Als ik moe ben, maak ik een wandeling dikwijls in het park.
Omdat ik nooit sport, voel ik me snel moe. Omdat ik sport nooit, voel ik me snel moe.

Tip: Zoek eerst het werkwoord aan het eind van de bijzin.
Zet dan het bijwoord net ervoor.

Bijzondere woorden: "nooit" en "telkens"

  • nooit = 0% van de tijd.
    • Ik eet nooit vlees.
    • Zij komt nooit te laat.
  • telkens gebruik je vaak in een vaste combinatie:
    • Telkens als ik ga zwemmen, word ik blij.
    • Telkens wanneer hij belt, heb ik geen tijd.

Daarna volgt meestal een bijzin met het werkwoord op het eind:

  • Telkens als ik ga zwemmen, word ik blij.
  • Telkens als hij thuis komt, gaat hij douchen.

Waar leg je de nadruk?

Soms kun je het bijwoord iets verplaatsen voor meer nadruk.

  • Neutraal: Ik eet soms pizza.
  • Nadruk op "soms": Soms eet ik pizza.

Beide zinnen zijn goed. Het verschil is vooral intonatie, niet grammatica.

Let op: Bij A1 is het veilig om de basisregel te volgen:
hoofdzin: werkwoord – bijwoord – rest
bijzin: … bijwoord – werkwoord (op het eind)

Stap-voor-stap: zelf een zin bouwen

  1. Kies een activiteit

    voorbeeld: sporten, lezen, koken, tv-kijken

  2. Kies een bijwoord van frequentie

    voorbeeld: altijd, soms, nooit, af en toe, dikwijls

  3. Maak een hoofdzin (onderwerp – werkwoord – bijwoord – rest)
    • Ik lees soms een boek in de trein.
    • Wij koken dikwijls samen in het weekend.
    • Hij kijkt nooit tv in bed.
  4. Maak er een bijzin van (… bijwoord – werkwoord op het eind)
    • Als ik in de trein zit, lees ik soms een boek.
    • Als het weekend is, koken wij dikwijls samen.
    • Omdat hij wil slapen, kijkt hij nooit tv in bed.

Zelfcheck (ja/nee):

  • Staat in mijn hoofdzin het bijwoord direct na het werkwoord?
  • Staat in mijn bijzin het bijwoord vlak voor het laatste werkwoord?
  • Klopt de betekenis (altijd = 100%, nooit = 0%, de rest ertussen)?

Waar moet je extra op letten?

  • Niet twee keer ontkennen
    • Goed: Ik sport nooit.
    • Fout: Ik sport nooit niet.
  • "Af en toe" blijft bij elkaar
    • Goed: Wij gaan af en toe uit eten.
    • Fout: Wij gaan af uit eten en toe.
  • Eén frequentiewoord per zin is meestal genoeg
    • Goed: Ik ga dikwijls naar de sportschool.
    • Niet natuurlijk: Ik ga vaak soms naar de sportschool.

Wat kun je nu?

  • Je herkent bijwoorden van frequentie (altijd, nooit, soms, dikwijls, af en toe, telkens).
  • Je weet waar je ze plaatst in een hoofdzin en in een bijzin.
  • Je kunt je eigen zinnen maken over gewoontes en routines.

Tip om te oefenen: Schrijf vijf zinnen over jouw week.
Gebruik in elke zin een ander bijwoord van frequentie.

  1. Het bijwoord staat meestal direct na het werkwoord in een hoofdzin.
  2. Het bijwoord staat meestal voor het werkwoord in een bijzin.
BijwoordVoorbeeld
AltijdIk sport altijd in de sportschool.
NooitIk doe nooit aan sport.
DikwijlsIk loop dikwijls naar de stad.
SomsIk sport soms in de middag.
Af en toeWij gaan af en toe naar de bioscoop.
TelkensTelkens als ik daar ben, ga ik hardlopen.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In het weekend zwem ik ____ in het zwembad bij mijn huis.


2. Na het werk sport ik ____ met mijn collega in het park.


3. Ik fiets ____ naar de sportschool; ik ga altijd met de tram.


4. Wij gaan ____ lopen langs de Amstel als het mooi weer is.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vul een passend bijwoord van frequentie in (altijd, nooit, dikwijls, soms, af en toe, telkens). Zet het bijwoord op de juiste plaats in de zin.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (altijd) Ik ga naar de sportschool.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ga altijd naar de sportschool.
  2. Hint Hint (soms) Wij kijken tv na het werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij kijken soms na het werk tv.
  3. Hint Hint (af en toe) Ik maak fouten in de les Nederlands.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik maak af en toe fouten in de les Nederlands.
  4. Hint Hint (nooit) Hij drinkt cola.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij drinkt nooit cola.
  5. Hint Hint (dikwijls) Ik loop naar mijn werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik loop dikwijls naar mijn werk.
  6. Hint Hint (telkens) Als ik vrij ben, ga ik naar het park.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Telkens als ik vrij ben, ga ik naar het park.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel aan elkaar hoe vaak je verschillende sporten doet en maak afspraken.

Situatie
Je collega vraagt tijdens de lunchpauze hoe vaak je sport en beweegt.

Bespreek
  • Welke sport doe jij meestal en hoe vaak per week?
  • Ga je soms of nooit met collega’s sporten? Waarom wel of niet?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik voetbal vaak na het werk.
  • Ik ga soms zwemmen in het weekend.
  • Wij fietsen af en toe samen naar kantoor.

Gebruik in gesprek
  • Ik sport soms / vaak / nooit.
  • Ik fiets altijd / af en toe naar mijn werk.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:38