Übung 1: Ein Wort zuordnen
Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.
Übung 2: Prüfungsvorbereitung
Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.
Nieuwsbrief van de personeelsvereniging
Fülle die Lücken aus: bladeren, zomer, herfst, winter, maand, gaan, ga, lente
(Newsletter des Personalrats)
Beste collega,
De personeelsvereniging van het ziekenhuis organiseert dit jaar elke een kleine activiteit. In de gaan we na het werk samen wandelen in het park. In de gaan we één keer naar het strand en eten we een ijsje. In de drinken we koffie op het dakterras en kijken we naar de aan de bomen. In de zitten we binnen met thee en praten we over onze plannen voor het nieuwe jaar. Veel collega’s zeggen: "Ik in juli op vakantie" of "Wij in december naar familie." Wat doe jij graag in elk seizoen?Liebe Kollegin, lieber Kollege,
Der Personalrat des Krankenhauses organisiert in diesem Jahr jeden Monat eine kleine Aktivität. Im Frühling (März, April, Mai) gehen wir nach der Arbeit gemeinsam im Park spazieren. Im Sommer (Juni, Juli, August) fahren wir einmal an den Strand und essen ein Eis. Im Herbst (September, Oktober, November) trinken wir Kaffee auf der Dachterrasse und schauen uns die Blätter an den Bäumen an. Im Winter (Dezember, Januar, Februar) sitzen wir drinnen bei Tee und sprechen über unsere Pläne für das neue Jahr. Viele Kolleginnen und Kollegen sagen: "Ich fahre im Juli in den Urlaub" oder "Wir fahren im Dezember zu unserer Familie." Was machst du gern in jeder Jahreszeit?
Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen
Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.
Wat gaat de man in april doen?
Wat plant de vrouw in augustus?
Übung 4: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung
1. In juli ___ ik op vakantie naar Italië.
(Im Juli ___ ich in den Urlaub nach Italien.)2. In de winter ___ hij elke dag met de trein naar zijn werk.
(Im Winter ___ er jeden Tag mit dem Zug zur Arbeit.)3. In april ___ wij een korte cursus Nederlands volgen.
(Im April ___ wir einen kurzen Niederländischkurs besuchen.)Übung 5: Dialogkarten
Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.
Übung 6: Auf die Situation reagieren
Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.
1. Je plant vakantie met een collega. Jullie kijken naar het jaar. Vraag in welke maand je collega op vakantie gaat. (Gebruik: de maand, vakantie, werken)
(Du planst mit einer Kollegin/einem Kollegen Urlaub. Ihr schaut euch das Jahr an. Frage, in welchem Monat deine Kollegin/dein Kollege in den Urlaub fährt. (Gebruik: de maand, vakantie, werken))In welke maand
(In welke maand ...)Beispiel:
In welke maand ga je op vakantie?
(In welke maand ga je op vakantie?)2. Je belt met de huisartsassistente voor een afspraak. Jij kunt niet in de zomer, want dan ben je weg. Zeg in welk seizoen je liever een afspraak hebt. (Gebruik: de zomer, de winter, ik wil graag)
(Du rufst bei der Arzthelferin an, um einen Termin zu vereinbaren. Im Sommer kannst du nicht, weil du dann weg bist. Sage, in welcher Jahreszeit du lieber einen Termin hättest. (Gebruik: de zomer, de winter, ik wil graag))Ik wil liever
(Ik wil liever ...)Beispiel:
Ik wil liever geen afspraak in de zomer, maar in de winter.
(Ik wil liever geen afspraak in de zomer, maar in de winter.)Übung 7: Schreibübung
Anleitung: Schreibe 4 bis 6 Sätze darüber, was du dieses Jahr in jeder Jahreszeit vorhast (privat oder mit Kolleginnen und Kollegen).
Nützliche Ausdrücke:
Mijn favoriete seizoen is ... / In ... ga ik ... / In de zomer/winter/herfst/lente doe ik graag ... / Met mijn collega’s/vrienden/familie ga ik ...