1. Taalonderdompeling
A1.31.1 Activiteit
Rookmelders
3. Grammatica
A1.31.2 Grammatica
Gebruik van 'er' en 'daar'
Belangrijk werkwoord
Verhuizen (verhuizen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Te huur: rustig huis in Utrecht
Woorden om te gebruiken: slaapkamers, verhuizen, gang, trap, woonkamer, tuin, muren, keuken, badkamer, garage, vloer
(Te huur: rustig eengezinswoning in Utrecht)
Rustig eengezinshuis te huur in Utrecht-Oost. Beneden is een ruime met open en een deur naar de kleine . In de is een toilet en daar staat de naar boven. Het huis heeft witte en een houten .
Op de eerste verdieping zijn twee en een kleine met douche. Op zolder is een extra kamer om werken of logeren. Er is ook een voor een kleine auto of voor fietsen. Er hangen rookmelders op elke verdieping, maar niet in de badkamer of keuken. Het huis is schoon en klaar voor mensen die binnenkort willen .
-
Welke kamers vind je op de begane grond volgens de tekst?
-
Wat kun je doen in de extra kamer op zolder?
-
Heb je rookmelders in jouw huis en waar hangen ze? Vertel kort.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ volgende maand naar een appartement met een grote woonkamer.
2. Wij ___ omdat er geen tuin is bij ons oude huis.
3. De buren verhuizen ook; zij ___ naar een huis met drie slaapkamers.
4. ___ jullie dit weekend naar dat huis met een badkamer beneden?
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je belt een makelaar over een huurhuis. Vraag hoeveel kamers er zijn en op welke verdieping de woonkamer is. Zeg ook kort wat jij belangrijk vindt. (Gebruik: de woonkamer, de slaapkamer, belangrijk)
Voor mij is
Voorbeeld:
Voor mij is de woonkamer belangrijk. Ik wil een grote woonkamer en één slaapkamer.
2. Een collega komt voor het eerst bij jou thuis op bezoek. Je doet de deur open en je zegt hoe je binnenkomt en waar de woonkamer is. (Gebruik: binnenkomen, de gang, de trap)
Als je binnenkomt
Voorbeeld:
Als je binnenkomt, sta je in de gang. Je loopt rechtdoor naar de woonkamer.
3. Je praat met een buurman over schoonmaken in huis. Vertel welke kamer jij vaak schoonmaakt en welke kamer je niet graag schoonmaakt. (Gebruik: schoonmaken, de badkamer, de keuken)
Ik moet vaak
Voorbeeld:
Ik moet vaak de keuken schoonmaken. De badkamer schoonmaken vind ik niet leuk.
4. Je zoekt een nieuw huis en belt met de verhuurder. Leg uit dat je gaat verhuizen en zeg welke kamers je graag wilt in het nieuwe huis. (Gebruik: verhuizen, de slaapkamer, de tuin)
Ik ga verhuizen
Voorbeeld:
Ik ga verhuizen en ik zoek een huis met drie slaapkamers en een kleine tuin.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw huis of appartement: welke kamers zijn er en welke kamer vind je het fijnst, en waarom.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik woon in een huis/appartement met ... / Beneden is/ staan ... / Boven is/ staan ... / Mijn favoriete kamer is ..., want ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Noem de kamers van het huis. (Noem de kamers van het huis.)
- Hoeveel kamers zijn er in jouw huis of appartement? Beschrijf ze. (Hoeveel kamers zijn er in jouw huis of appartement? Beschrijf ze.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
|
Dit huis heeft zes kamers. |
|
De woonkamer bevindt zich op de begane grond, naast de hal. |
|
Er is een balkon op de eerste verdieping. |
|
Mijn appartement heeft een keuken, een slaapkamer en een badkamer. |
|
De slaapkamer heeft een balkon. |
|
Ik ben op zoek naar een eenkamerappartement. |
|
De huur voor de studio omvat alle maandelijkse kosten. |
| ... |