1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (13)

De sport

De sport Show

De sport Show

Het basketbal

Het basketbal Show

Basketbal Show

Het tennis

Het tennis Show

Tennis Show

Het voetbal

Het voetbal Show

Voetbal Show

De wedstrijd

De wedstrijd Show

De wedstrijd Show

Bewegen

Bewegen Show

Bewegen Show

Fietsen

Fietsen Show

Fietsen Show

Lopen

Lopen Show

Lopen Show

Spelen

Spelen Show

Spelen Show

Sporten

Sporten Show

Sporten Show

Turnen

Turnen Show

Turnen Show

Boksen

Boksen Show

Boksen Show

Zwemmen

Zwemmen Show

Zwemmen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

Email: Je krijgt een e-mail van het buurthuis over een nieuwe sportcursus en je wilt je inschrijven en vertellen welke sport je graag doet.


Onderwerp: Nieuwe sportcursus in het buurthuis

Beste buurtbewoner,

We organiseren een nieuwe cursus sport en beweging in het buurthuis. We gaan samen lopen, fietsen en eenvoudige oefeningen doen. De cursus is op maandag en woensdagavond.

Wilt u meedoen? Stuur dan een e-mail terug. Schrijf kort:

  • welke sport u graag doet (bijvoorbeeld voetbal, tennis of zwemmen)
  • hoe vaak u sport (bijvoorbeeld: soms, vaak, nooit, altijd)

Met vriendelijke groet,
Anne de Jong
Buurthuis De Brug


Onderwerp: Nieuwe sportcursus in het buurthuis

Beste buurtbewoner,

We organiseren een nieuwe cursus sport en beweging in het buurthuis. We gaan samen lopen, fietsen en eenvoudige oefeningen doen. De cursus is op maandag- en woensdagavond.

Wilt u meedoen? Stuur dan een e-mail terug. Schrijf kort:

  • welke sport u graag doet (bijvoorbeeld voetbal, tennis of zwemmen)
  • hoe vaak u sport (bijvoorbeeld: soms, vaak, nooit, altijd)

Met vriendelijke groet,
Anne de Jong
Buurthuis De Brug


Begrijp de tekst:

  1. Welke activiteiten zijn er in de sportcursus in het buurthuis?

  2. Wat moet je in je e-mail aan Anne schrijven?

Nuttige zinnen:

  1. Ik wil graag meedoen met de cursus.

  2. Ik sport soms / vaak / nooit.

  3. Mijn favoriete sport is …

Beste Anne,

Ik wil graag meedoen met de cursus sport en beweging op maandag en woensdagavond.

Mijn favoriete sport is zwemmen. Ik sport vaak: ik ga twee keer per week zwemmen. Soms ga ik ook lopen in het park.

Met vriendelijke groet,
[je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Na mijn werk ga ik vaak zwemmen in Delft.
In het weekend speel ik soms basketbal met collega’s.
We fietsen elke ochtend samen naar de sportschool.
Ik kijk vanavond met vrienden naar een voetbalwedstrijd.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ soms in het zwembad naast mijn kantoor.


2. Mijn collega ___ altijd voetbal in de pauze.


3. Wij ___ vorig jaar nooit in een team gesport.


4. In het weekend ___ mijn buren vaak in het park.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je collega vraagt in de pauze: "Welke sport doe jij?" Vertel wat jij doet. (Gebruik: de sport, ik doe, in het weekend)

De sport die ik  

Voorbeeld:

De sport die ik doe is voetbal. Ik speel in het weekend met vrienden.

2. Je wilt na het werk met een collega gaan lopen in het park. Je stelt het voor. (Gebruik: lopen, na het werk, samen)

Zullen we na het  

Voorbeeld:

Zullen we na het werk samen gaan lopen in het park?

3. Je belt naar een sportclub en vraagt of je mee kunt doen met een wedstrijd. (Gebruik: de wedstrijd, meedoen, aanmelden)

Ik wil graag  

Voorbeeld:

Ik wil graag meedoen aan de wedstrijd. Hoe kan ik mij aanmelden?

4. Je praat met een buurman over gezond blijven. Vertel welke sport jij vaak doet. (Gebruik: sporten, drie keer per week, gezond)

Ik sport vaak  

Voorbeeld:

Ik sport vaak drie keer per week. Dat is gezond en ik voel me goed.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over welke sport jij doet (of wilt doen) en hoe vaak je sport, bijvoorbeeld met collega’s of vrienden.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik doe aan … / Ik sport altijd / vaak / soms / nooit. / Na het werk wil ik … / Ik sport graag met … omdat …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem de sport en zeg of je deze in een team (of paar) doet of alleen. (Noem de sport en zeg of je het in teamverband (of als duo) of alleen doet.)
  2. Doe je aan sport? Hoe vaak? (Doe je aan sport? Hoe vaak?)
  3. Hou je van sport kijken? (Hou je van sport kijken?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Voetbal is een teamsport.

Zwemmen is een individuele sport.

Als sport doe ik aan boksen.

Ik speel graag tennis. Ik speel elke woensdag en zaterdag tennis.

Ik kijk niet graag naar sport. Ik word er moe van.

Ik kijk graag naar basketbalwedstrijden.

...