1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (14)

Het bad

Het bad Show

The bathtub Show

Het bed

Het bed Show

The bed Show

De bank

De bank Show

The couch Show

Het bureau

Het bureau Show

The desk Show

De kast

De kast Show

The closet Show

De lamp

De lamp Show

The lamp Show

De stoel

De stoel Show

The chair Show

De tafel

De tafel Show

The table Show

Het toilet

Het toilet Show

The toilet Show

Het raam

Het raam Show

The window Show

De deur

De deur Show

The door Show

De douche

De douche Show

The shower Show

Openen

Openen Show

To open Show

Sluiten

Sluiten Show

To close Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp van een Nederlandse vriendin die oude meubels gratis aanbiedt; antwoord welke meubels je wel en niet wilt en beschrijf kort jouw huis.


Lisa ⏲️ 10:14

Hoi! Hoe gaat het?

Ik ga verhuizen en ik heb nog oude meubels die ik niet meeneem.

Ik heb een bed, een bureau, een bank en een kleine kast. Ook een tafel met twee stoelen en een lamp voor op tafel.

Mijn nieuwe huis is klein, dus ik laat ze liever achter. Wil jij iets voor jouw huurwoning?

Stuur even een bericht 😊


Lisa ⏲️ 10:14

Hoi! Hoe gaat het?

Ik ga verhuizen en ik heb nog oude meubels die ik niet meeneem.

Ik heb een bed, een bureau, een bank en een kleine kast. Ook een tafel met twee stoelen en een lamp voor op tafel.

Mijn nieuwe huis is klein, dus ik laat ze liever achter. Wil jij iets voor jouw huurwoning?

Stuur even een bericht 😊


Begrijp de tekst:

  1. Welke meubels biedt Lisa aan? Noem minstens drie items.

  2. Wat vraagt Lisa van jou in haar bericht? Wat moet je doen als je meubels wilt?

Nuttige zinnen:

  1. Dank je voor je bericht. Ik wil graag ...

  2. In mijn huis heb ik al ... maar ik heb nog geen ...

  3. Mijn woonkamer/slaapkamer is klein, dus ik wil liever ...

Hoi Lisa,

Dank je voor je bericht. Wat fijn dat je meubels aanbiedt.

Ik wil graag het bed en de kast. Ik heb al een bank en een tafel in mijn huis. De lamp kan ik ook goed gebruiken, die heb ik nog niet.

Mijn woonkamer is klein, dus ik wil geen extra stoelen. Wanneer kan ik de meubels komen ophalen?

Groetjes,
Fatima

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

In de woonkamer staat een grote grijze bank.
Ik werk thuis aan een klein wit bureau.
De kast in de gang is smal maar hoog.
We zetten de lamp naast het bed in de slaapkamer.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ de deur van de badkamer als ik ga douchen.


2. In de avond ___ we het raam in de slaapkamer voor frisse lucht.


3. Mijn huisgenoot ___ de kast in de gang en pakt een schone handdoek.


4. Na het werk ___ ik altijd het raam in de woonkamer omdat het buiten koud is.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je verhuist naar een nieuw appartement. Een collega vraagt: “Wat heb je in de slaapkamer?” Vertel kort wat er staat. (Gebruik: Het bed, De kast, in de slaapkamer)

In mijn slaapkamer  

Voorbeeld:

In mijn slaapkamer staat een bed en een kast.

2. Je werkt vandaag thuis. Een collega belt via video en vraagt: “Hoe is jouw werkplek thuis?” Vertel kort wat daar staat. (Gebruik: Het bureau, De stoel, werken)

Op mijn werkplek  

Voorbeeld:

Op mijn werkplek staat een bureau met een computer en een comfortabele stoel.

3. Je hebt vrienden op bezoek. Iemand vraagt: “Waar zitten we?” Leg kort uit waar jullie zijn in de woonkamer. (Gebruik: De bank, De tafel, in de woonkamer)

In de woonkamer  

Voorbeeld:

In de woonkamer staan een bank en een lage tafel.

4. Je huurt een appartement. De verhuurder vraagt: “Hoe is de badkamer?” Zeg kort wat er in de badkamer is. (Gebruik: De douche, Het toilet, klein/groot)

In de badkamer  

Voorbeeld:

In de badkamer is een douche en een toilet.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de meubels in jouw huis of kamer en wat je overdag of ’s avonds opent en sluit.

Nuttige uitdrukkingen:

In mijn huis staat ... / In de woonkamer heb ik ... / Overdag open ik ... / ’s Avonds sluit ik ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Welke meubels staan er in elke kamer? (Welke meubels staan er in elke kamer?)
  2. Beschrijf een kamer van je appartement/huis. (Beschrijf een kamer van je appartement/huis.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Het toilet is vlakbij de gootsteen.

Het bed staat in de woonkamer.

Het schilderij staat naast het raam.

Er ligt een tapijt onder de bank.

De spiegel hangt aan de muur.

De kledingkast staat tussen het bed en het bureau.

De deur is achter de stoel.

De bank staat voor het raam.

De lamp staat op de tafel in de woonkamer.

...