A1.32 - Meubilair
Meubilair
1. Taalonderdompeling
A1.32.1 Activiteit
Meubelen kopen
3. Grammatica
A1.32.2 Grammatica
Uitspraak van \"sch\", \"ch\", \"g\"
Belangrijk werkwoord
Sluiten (sluiten)
Belangrijk werkwoord
Openen (openen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp van een Nederlandse vriendin die oude meubels gratis aanbiedt; antwoord welke meubels je wel en niet wilt en beschrijf kort jouw huis.
Lisa ⏲️ 10:14
Hoi! Hoe gaat het?
Ik ga verhuizen en ik heb nog oude meubels die ik niet meeneem.
Ik heb een bed, een bureau, een bank en een kleine kast. Ook een tafel met twee stoelen en een lamp voor op tafel.
Mijn nieuwe huis is klein, dus ik laat ze liever achter. Wil jij iets voor jouw huurwoning?
Stuur even een bericht 😊
Lisa ⏲️ 10:14
Hoi! Hoe gaat het?
Ik ga verhuizen en ik heb nog oude meubels die ik niet meeneem.
Ik heb een bed, een bureau, een bank en een kleine kast. Ook een tafel met twee stoelen en een lamp voor op tafel.
Mijn nieuwe huis is klein, dus ik laat ze liever achter. Wil jij iets voor jouw huurwoning?
Stuur even een bericht 😊
Begrijp de tekst:
-
Welke meubels biedt Lisa aan? Noem minstens drie items.
-
Wat vraagt Lisa van jou in haar bericht? Wat moet je doen als je meubels wilt?
Nuttige zinnen:
-
Dank je voor je bericht. Ik wil graag ...
-
In mijn huis heb ik al ... maar ik heb nog geen ...
-
Mijn woonkamer/slaapkamer is klein, dus ik wil liever ...
Dank je voor je bericht. Wat fijn dat je meubels aanbiedt.
Ik wil graag het bed en de kast. Ik heb al een bank en een tafel in mijn huis. De lamp kan ik ook goed gebruiken, die heb ik nog niet.
Mijn woonkamer is klein, dus ik wil geen extra stoelen. Wanneer kan ik de meubels komen ophalen?
Groetjes,
Fatima
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ de deur van de badkamer als ik ga douchen.
2. In de avond ___ we het raam in de slaapkamer voor frisse lucht.
3. Mijn huisgenoot ___ de kast in de gang en pakt een schone handdoek.
4. Na het werk ___ ik altijd het raam in de woonkamer omdat het buiten koud is.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Bank kopen bij IKEA
Klant (Marije): Show In mijn woonkamer heb ik een bank, een tafel, twee stoelen en een lamp.
Verkoper IKEA: Show Oké, wilt u alleen een nieuwe bank, of ook een nieuwe tafel?
Klant (Marije): Show Alleen een nieuwe bank, deze is oud en zit niet goed.
Verkoper IKEA: Show Dan raad ik deze grijze bank aan; hij is groot en zit comfortabel.
Open vragen:
1. Welke meubels heb jij in de woonkamer? Noem drie dingen.
2. Welke kleur en vorm bank zou jij kiezen? Leg kort uit.
Vriend logeert in nieuw appartement
Anna: Show Welkom Tom, dit is de slaapkamer; hier staat het bed en daar is de kast.
Vriend (Tom): Show Mooi. Waar is de badkamer, is er een douche of een bad?
Anna: Show Hier is de badkamer. Als je de deur opent, zie je het toilet en de douche.
Vriend (Tom): Show Fijn, en in de woonkamer staat een grote bank en een lamp bij het raam — erg gezellig!
Open vragen:
1. Welke meubels staan er in jouw slaapkamer? Noem twee of drie dingen.
2. Welke kamer in je huis vind je het fijnst en waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je verhuist naar een nieuw appartement. Een collega vraagt: “Wat heb je in de slaapkamer?” Vertel kort wat er staat. (Gebruik: Het bed, De kast, in de slaapkamer)
In mijn slaapkamer
Voorbeeld:
In mijn slaapkamer staat een bed en een kast.
2. Je werkt vandaag thuis. Een collega belt via video en vraagt: “Hoe is jouw werkplek thuis?” Vertel kort wat daar staat. (Gebruik: Het bureau, De stoel, werken)
Op mijn werkplek
Voorbeeld:
Op mijn werkplek staat een bureau met een computer en een comfortabele stoel.
3. Je hebt vrienden op bezoek. Iemand vraagt: “Waar zitten we?” Leg kort uit waar jullie zijn in de woonkamer. (Gebruik: De bank, De tafel, in de woonkamer)
In de woonkamer
Voorbeeld:
In de woonkamer staan een bank en een lage tafel.
4. Je huurt een appartement. De verhuurder vraagt: “Hoe is de badkamer?” Zeg kort wat er in de badkamer is. (Gebruik: De douche, Het toilet, klein/groot)
In de badkamer
Voorbeeld:
In de badkamer is een douche en een toilet.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de meubels in jouw huis of kamer en wat je overdag of ’s avonds opent en sluit.
Nuttige uitdrukkingen:
In mijn huis staat ... / In de woonkamer heb ik ... / Overdag open ik ... / ’s Avonds sluit ik ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Welke meubels staan er in elke kamer? (Welke meubels staan er in elke kamer?)
- Beschrijf een kamer van je appartement/huis. (Beschrijf een kamer van je appartement/huis.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Het toilet is vlakbij de gootsteen. |
|
Het bed staat in de woonkamer. |
|
Het schilderij staat naast het raam. |
|
Er ligt een tapijt onder de bank. |
|
De spiegel hangt aan de muur. |
|
De kledingkast staat tussen het bed en het bureau. |
|
De deur is achter de stoel. |
|
De bank staat voor het raam. |
|
De lamp staat op de tafel in de woonkamer. |
| ... |