Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

We plannen de vergadering op maandag 12 juni.
Ik zet mijn vakantie in de agenda.
Kerstmis is op 25 december.
In het weekend heb ik geen afspraken.

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


E-mail van HR over feestdagen

Vul de lege plekken in: agenda, Nieuw, Oud, Pinksteren, vakantie, Hemelvaart, Kerstmis, In, Pasen, intranet, feestdagen

(E-mail van HR over feestdagen)

Beste collega,

Hierbij ontvangt u het overzicht van de vrije dagen op kantoor. Met is het bedrijf gesloten op 25 en 26 december. Met en is het kantoor gesloten op 1 januari. april is er ook een vrije dag met : alleen tweede Paasdagis vrij. In mei zijn er twee : op donderdag en op maandag. In deze weken zijn veel mensen op . Maak daarom uw planning op tijd en noteer alles in uw . De data staan ook in de digitale kalender op het .

Met vriendelijke groet,
HR-afdeling

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo Anna, dit is Mark. Op maandag 1 april heb ik vrij. Dat is Tweede Paasdag. Kunnen we dan in de ochtend samen jouw vakantie plannen?

Wat wil Mark doen op Tweede Paasdag?

2. In onze agenda staat: Kerstmis is op 25 december. Op 26 december is het kantoor ook dicht. We beginnen weer op maandag 30 december.

Wanneer gaat het kantoor weer open na Kerstmis?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Wij ___ onze vakantie in juli, want dan is het rustig op het werk.


2. Mijn manager ___ het teamoverleg altijd op maandag na een feestdag.


3. Wanneer ___ jullie de vergadering over de kerstvakantie?


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je plant een afspraak bij de tandarts. De assistent vraagt: "Wanneer kunt u?" Noem een datum die past in jouw agenda. (Gebruik: de datum, de agenda, ochtend/middag)

De datum is    

Voorbeeld:

De datum is 14 maart in de ochtend.

2. Je collega wil een korte meeting plannen. Hij vraagt: "Kan het deze week?" Zeg op welke dag van de week jij tijd hebt. (Gebruik: de week, op maandag/dinsdag, ik kan)

In de week    

Voorbeeld:

In de week kan ik op dinsdagmiddag.

Oefening 7: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over uw plannen voor de komende feestdagen en welke data u in uw agenda zet.

Nuttige uitdrukkingen:

Met Kerstmis ga ik ... / Op [datum] werk ik niet, want ... / In mijn agenda staat ... / Ik vier [feestdag] met ...