Vanavond hebben we gasten!
Vanavond hebben we gasten!

Vanavond hebben we gasten!

Vanavond hebben we gasten!


Hoe dek ik de tafel op de juiste manier?
Hoe dek ik de tafel op de juiste manier?

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Woord
De tafel dekken
De gulden middenweg
Het bestek
De eerste gang
Het bord
Het glas
De witte wijn
De rode wijn
Het servet
De menukaart
Hoe dek ik de tafel op de juiste manier?
Je kunt de tafel formeel of casual dekken.
Ik kies voor een manier die precies daartussenin zit.
Je legt het bestek van buiten naar binnen.
Het bestek voor het eerste gerecht ligt dus aan de buitenkant.
Het bord voor het dessert staat bovenaan.
Zet verschillende borden op elkaar.
De glazen voor water en wijn staan rechtsboven.
Je legt het servet aan de linkerkant van het bord.
Het kaartje met de naam leg je boven het dessertbestek.
De menukaart leg ik op het bord.

1. Hoe leg je het bestek?


2. Waar staan de glazen voor water en wijn?


3. Waar ligt het servet?


Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Lieke heeft een promotie en viert het met een etentje

1. Klaas: Ik ben zo blij met mijn promotie en dat we het samen kunnen vieren met een etentje.
2. Lieke: Ik ben heel blij voor je en enorm trots!
3. Klaas: Dank je, schat, dat is lief. Laten we alvast de tafel dekken.
4. Lieke: Prima. Ik leg alvast de zilveren vorken, messen en lepels neer.
5. Klaas: Perfect, het mooie bestek. Leg ook het steakmes op tafel.
6. Lieke: Doe ik. Zet jij de glazen en borden op tafel?
7. Klaas: Is goed: waterglazen en wijnglazen. O nee, hebben we nog wijn?
8. Lieke: O nee, vergeten! Het kaasplankje staat wel al klaar.
9. Klaas: Geen kaas zonder wijn. Ik ga naar de winkel.
10. Lieke: Dan maak ik de tafel verder klaar en vouw ik de servetten.
11. Klaas: De servetringen liggen in die kast. Dank je, lieverd, tot straks.
12. Lieke: Geen probleem. Dit wordt een geslaagde avond.

1. Waarom gaat Klaas naar de winkel?


2. Wat legt Lieke als eerste op tafel?