Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Hoeveel kost deze koffie met een beetje melk?
Ik heb niet genoeg geld, kan ik met de kaart betalen?
Is deze broek duur, of is er korting?
Ik betaal de rekening contant uit mijn portemonnee.

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Folder van supermarkt BudgetPlus

Vul de lege plekken in: betaalt, korting, duur, betalen, kassa, portemonnee, totaalbedrag, contant, genoeg, prijzen

(Folder van supermarkt BudgetPlus)

Bij supermarkt BudgetPlus is deze week een aanbieding. In de folder staan de van fruit en brood. Bananen kosten 1,20 euro per kilo, appels 2,00 euro per kilo. Een wit brood kost 1,39 euro. Dat is niet . Er is ook : bij twee broden u samen 2,50 euro.

U kunt op drie manieren : met geld, met pinpas of met creditcard. Aan de ziet u het op het scherm. U geeft uw of uw pinpas. Heeft u niet geld? Dan kunt u één product terugleggen. De kassamedewerker print de rekening. U controleert de prijs en zegt: “Alles klopt, dank u wel.”

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ik sta bij de kassa. De kaas kost vier euro en de broodjes zijn één euro. Ik heb genoeg contant geld in mijn portemonnee en ik betaal met muntgeld.

Wat zegt de vrouw over betalen?

2. Ik zit op een terras en ik vraag om de rekening. De koffie is drie euro vijftig en het water is goedkoop. Ik heb weinig contant geld, dus ik betaal met mijn pinpas.

Hoe wil de man betalen?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ contant, want ik heb veel muntgeld in mijn portemonnee.


2. U ___ weinig, want vandaag is er veel korting in de winkel.


3. De winkel ___ alles goedkoop, maar verdient toch genoeg geld.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent in de supermarkt. Je ziet een pak koffie, maar de prijs staat niet duidelijk. Vraag een medewerker naar de prijs. (Gebruik: de prijs, de euro, alstublieft)

Wat is de    

Voorbeeld:

Wat is de prijs in euro, alstublieft?

2. Je bent in een kledingwinkel. Je wilt een jas kopen, maar hij is erg duur. Vraag of er korting is. (Gebruik: de korting, duur, goedkoop)

Heeft u misschien    

Voorbeeld:

Heeft u misschien korting op deze jas?

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Hey!

Ik ben nu in de supermarkt. Ik koop ook dingen voor jou.

Tot nu toe heb ik:

  • pasta – 2 euro
  • saus – 1,50 euro
  • kaas – 3 euro

In totaal is dat 6,50 euro. Dat is niet duur, vind ik.

Wil je nog iets? Ik heb genoeg tijd. En hoe wil je straks betalen? Met contant geld of met de bankkaart?

Groetjes,
Mark


Hey!

Ik ben nu in de supermarkt. Ik koop ook dingen voor jou.

Tot nu toe heb ik:

  • pasta – 2 euro
  • saus – 1,50 euro
  • kaas – 3 euro

In totaal is dat 6,50 euro. Dat vind ik niet duur.

Wil je nog iets? Ik heb genoeg tijd. En hoe wil je straks betalen? Met contant of met de bankkaart?

Groetjes,
Mark


Nuttige zinnen:

  1. Ik wil graag ...

  2. Dat kost ... euro.

  3. Ik betaal met ...

Hoi Mark,

Dank je! De prijs is prima. Ik wil graag nog één brood voor 2 euro. Dan is het totaal 8,50 euro.

Ik betaal straks met contant geld. Ik heb genoeg geld in mijn portemonnee.

Groetjes,
Ana