Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Op maandag begin ik om acht uur met werken.
Ik maak een planning voor de hele week.
We eten op vrijdagavond samen met collega’s.
Ik sport ’s ochtends op zaterdag in de sportschool.

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Weekrooster van de huisartsenpraktijk

Vul de lege plekken in: 's Middags, zondag, 's Ochtends, donderdag, vrijdag, maandag, woensdag, weekend, 's Nachts, dag, zaterdag, dinsdag, 's Avonds

(Weekrooster van de huisartsenpraktijk)

Huisartsenpraktijk De Brug heeft elke andere openingstijden. Op en is de praktijk open van 8.00 uur tot 18.00 uur. Op en is de praktijk open van 8.00 uur tot 17.00 uur. Op sluit de praktijk om 16.00 uur.

In het is de praktijk gesloten. Op en is er alleen een huisartsenpost. kun je de praktijk bellen voor een afspraak. kun je langskomen voor bloedprikken. is de praktijk alleen open voor spoedgevallen. bel je de huisartsenpost.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, u spreekt met de kapper. De salon is maandag gesloten. U heeft een afspraak op woensdag om tien uur 's ochtends.

Wanneer is de afspraak bij de kapper?

2. Ik werk van maandag tot en met vrijdag. 's ochtends ben ik op kantoor. In het weekend, op zaterdag en zondag, slaap ik graag uit.

Op welke dagen gaat de spreker niet naar kantoor?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Op maandag ___ ik om acht uur met werken.


2. Wij ___ 's avonds om zes uur samen met de kinderen.


3. Op zondag ___ mijn partner in de ochtend een groot ontbijt.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je plant je werkweek met een collega. Je wilt afspreken op één dag. Vraag op welke dag de collega tijd heeft. (Gebruik: de dag, maandag, dinsdag)

Op welke dag    

Voorbeeld:

Op welke dag heb je tijd voor een afspraak?

2. Je praat met je partner over sporten. Jij sport graag in de ochtend. Zeg wanneer je graag sport. (Gebruik: de ochtend, 's morgens, vandaag)

Ik sport graag    

Voorbeeld:

Ik sport graag in de ochtend, vandaag om acht uur 's morgens.

Oefening 7: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw week: op welke dagen werk je en wat doe je 's ochtends, 's middags en 's avonds?

Nuttige uitdrukkingen:

Op maandag werk ik ... / 's ochtends ... ik ... / In het weekend ... ik ... / Op deze dagen ben ik vrij: ...