Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Wie stelt zich voor in dit fragment?
Wat vraagt Sara aan de andere persoon?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ Anna en ik zeg mijn naam langzaam tegen de docent.
2. Hoe ___ u, meneer?
3. Ik ___ mijn voornaam en achternaam tegen de nieuwe collega.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands kantoor. Je ontmoet een nieuwe collega bij de koffie. Stel jezelf kort voor met je voornaam en achternaam. (Gebruik: de naam, ik heet, hallo)
Hallo, ik heet
Voorbeeld:
Hallo, ik heet Anna de Vries.
2. Je zit in een NT2-taalcursus. Je kent de docent nog niet. Vraag beleefd naar de naam van de docent. (Gebruik: de mevrouw / de meneer, u, heten)
Hoe heet u
Voorbeeld:
Hoe heet u, mevrouw?