A1.2 - Je naam vertellen
A1.2 - Je naam vertellen

A1.2 - Je naam vertellen - Oefeningen

Je naam vertellen


Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon antwoorden
1.
heet Mark. | Hallo, ik | ben meneer | Jansen. Ik
Hallo, ik ben meneer Jansen. Ik heet Mark.
2.
ben mevrouw | uw naam? | De Boer. | Goedemorgen, ik | Wat is
Goedemorgen, ik ben mevrouw De Boer. Wat is uw naam?
3.
is Bakker. | Anna. Mijn | Anna en | voornaam is | mijn achternaam | Ik heet
Ik heet Anna. Mijn voornaam is Anna en mijn achternaam is Bakker.
4.
in ons | team. | Dit is | is een | Peter. Hij | nieuwe collega
Dit is Peter. Hij is een nieuwe collega in ons team.
5.
deur? | dat meisje | Hoe heet | bij de
Hoe heet dat meisje bij de deur?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Ik heet Sara, aangenaam kennis te maken.
Hoe heet u, meneer De Vries?
Wat is uw achternaam, mevrouw?
Kunt u uw naam letter voor letter spellen?

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Goedemorgen, ik ben meneer De Vries. Mijn voornaam is Erik, met een k. Ik werk hier nieuw en ik stel mij even voor.

Wie stelt zich voor in dit fragment?

2. Hallo, ik ben Sara Jansen. Ik heet Sara, met een s. En hoe heet u, meneer? Wat is uw achternaam?

Wat vraagt Sara aan de andere persoon?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Ik ___ Anna en ik zeg mijn naam langzaam tegen de docent.


2. Hoe ___ u, meneer?


3. Ik ___ mijn voornaam en achternaam tegen de nieuwe collega.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Oefening 6: Reageer op de situatie (AI+)

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands kantoor. Je ontmoet een nieuwe collega bij de koffie. Stel jezelf kort voor met je voornaam en achternaam. (Gebruik: de naam, ik heet, hallo)

Hallo, ik heet    

Voorbeeld:

Hallo, ik heet Anna de Vries.

2. Je zit in een NT2-taalcursus. Je kent de docent nog niet. Vraag beleefd naar de naam van de docent. (Gebruik: de mevrouw / de meneer, u, heten)

Hoe heet u    

Voorbeeld:

Hoe heet u, mevrouw?