Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
ben meneer | heet Mark. | Hallo, ik | Jansen. Ik
Hallo, ik ben meneer Jansen. Ik heet Mark.
2.
ben mevrouw | uw naam? | Wat is | De Boer. | Goedemorgen, ik
Goedemorgen, ik ben mevrouw De Boer. Wat is uw naam?
3.
Anna. Mijn | is Bakker. | Ik heet | mijn achternaam | Anna en | voornaam is
Ik heet Anna. Mijn voornaam is Anna en mijn achternaam is Bakker.
4.
team. | Dit is | in ons | is een | Peter. Hij | nieuwe collega
Dit is Peter. Hij is een nieuwe collega in ons team.
5.
deur? | bij de | dat meisje | Hoe heet
Hoe heet dat meisje bij de deur?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik heet Sara, aangenaam kennis te maken.
Hoe heet u, meneer De Vries?
Wat is uw achternaam, mevrouw?
Kunt u uw naam letter voor letter spellen?

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Goedemorgen, ik ben meneer De Vries. Mijn voornaam is Erik, met een k. Ik werk hier nieuw en ik stel mij even voor.

Wie stelt zich voor in dit fragment?

2. Hallo, ik ben Sara Jansen. Ik heet Sara, met een s. En hoe heet u, meneer? Wat is uw achternaam?

Wat vraagt Sara aan de andere persoon?

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ Anna en ik zeg mijn naam langzaam tegen de docent.


2. Hoe ___ u, meneer?


3. Ik ___ mijn voornaam en achternaam tegen de nieuwe collega.


Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands kantoor. Je ontmoet een nieuwe collega bij de koffie. Stel jezelf kort voor met je voornaam en achternaam. (Gebruik: de naam, ik heet, hallo)

Hallo, ik heet    

Voorbeeld:

Hallo, ik heet Anna de Vries.

2. Je zit in een NT2-taalcursus. Je kent de docent nog niet. Vraag beleefd naar de naam van de docent. (Gebruik: de mevrouw / de meneer, u, heten)

Hoe heet u    

Voorbeeld:

Hoe heet u, mevrouw?