Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Profieltekst voor een sportschoolapp
Vul de lege plekken in: uiterlijk, bruin, dik, baard, lijken, bril, mooi, krullen, rood, groot
(Profieltekst voor een sportschool-app)
In de app van een sportschool kun je je profiel invullen. Je schrijft iets over je , zodat een trainer je beter kan helpen. Je kiest een foto: met of zonder , met of steil haar. Je kunt ook schrijven of je of klein bent, of dun.
Een voorbeeld: “Ik ben Mark. Ik ben 1,90 meter lang en vrij slank. Ik heb kort haar en geen of snor. Ik draag een bril als ik sport. Mijn vrouw is kleiner dan ik. Zij is 1,65 meter lang en heeft haar met krullen. We niet op elkaar, maar we vinden elkaar .”
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Hoe ziet de collega er vooral uit?
Waarmee herken je de vriendin het beste?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. De nieuwe collega ___ een rustige en vriendelijke man.
2. Mijn broer en ik ___ helemaal niet op elkaar.
3. Die man met de rode baard ___ onze docent Nederlands.
Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent bij de receptie van jouw werk. De receptionist weet niet wie jouw collega is. Beschrijf jouw collega kort, zodat de receptionist hem kan herkennen. (Gebruik: de bril, groot, haar)
Hij heeft
Voorbeeld:
Hij heeft een bril en hij is groot.
2. Je bent op een verjaardagsfeest. Iemand vraagt: ‘Hoe ziet jouw partner eruit?’ Geef een kort antwoord. (Gebruik: mooi, haar, lang/kort)
Zij is
Voorbeeld:
Zij is mooi en ze heeft lang haar.
Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Hoi [je naam],
Morgen komt jouw nieuwe collega voor het eerst naar kantoor. Ik sta bij de receptie en wil hem graag herkennen.
Kun je mij kort beschrijven hoe hij eruitziet? Is hij groot of klein? Heeft hij een baard of bril? Wat voor haar heeft hij?
Je mag in een paar korte zinnen antwoorden.
Groet,
Maria (receptie)
Hoi [je naam],
Morgen komt jouw nieuwe collega voor het eerst naar kantoor. Ik sta bij de receptie en wil hem graag herkennen.
Kun je mij kort beschrijven hoe hij eruitziet? Is hij groot of klein? Heeft hij een baard of een bril? Wat voor haar heeft hij?
Je mag in een paar korte zinnen antwoorden.
Groet,
Maria (receptie)
Nuttige zinnen:
-
Mijn collega is ...
-
Hij heeft ...
-
Hij draagt ...
Mijn collega heet Daniel. Hij is groot en vrij slank. Hij heeft kort bruin haar en geen baard. Hij draagt een zwarte bril en een donkerblauwe jas.
Groet,
[je naam]