Esercizio 1: Riordina frasi
Istruzione: Forma frasi corrette.
Esercizio 2: Abbaia
Istruzione: Abbina ogni inizio con la sua corretta conclusione.
Esercizio 3: Ascolta e rispondi alle domande
Istruzione: Ascolta i frammenti audio e scegli la risposta corretta alle domande.
Waar spreekt Tom vooral over?
Wat vertelt Sara over haar gezin?
Esercizio 4: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la soluzione corretta
1. Ik ___ met mijn zus over onze ouders.
(Io ___ con mia sorella dei nostri genitori.)2. Mijn collega ___ graag over zijn gezin.
(Il mio collega ___ volentieri della sua famiglia.)3. Wij ___ met jouw ouders tijdens de pauze.
(Noi ___ con i vostri genitori durante la pausa.)Esercizio 5: Carte di dialogo
Istruzione: Esercita la conversazione con il tuo insegnante o i compagni di classe.
Esercizio 6: Rispondere alla situazione
Istruzione: Esercitatevi in coppia o con il vostro insegnante.
1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands bedrijf. In de pauze vraagt een collega: “Heb jij een groot gezin?” Vertel kort over jouw gezin. (Gebruik: het gezin, ik heb, wonen)
(È il tuo primo giorno di lavoro in un'azienda olandese. Durante la pausa un collega chiede: “Heb jij een groot gezin?” Racconta brevemente della tua famiglia. (Usa: het gezin, ik heb, wonen))Mijn gezin is
(Mijn gezin is ...)Esempio:
Mijn gezin is klein. Ik heb één kind en we wonen in Amsterdam.
(Mijn gezin is klein. Ik heb één kind en we wonen in Amsterdam.)2. Je bent op een netwerkborrel. Iemand vraagt: “Heb je broers of zussen?” Vertel kort over jouw broer of zus. (Gebruik: de broer, de zus, ik heb, werken / studeren)
(Sei a un aperitivo di networking. Qualcuno chiede: “Heb je broers of zussen?” Racconta brevemente di tuo fratello o tua sorella. (Usa: de broer, de zus, ik heb, werken / studeren))Ik heb een
(Ik heb een ...)Esempio:
Ik heb een broer. Hij werkt in een ziekenhuis.
(Ik heb een broer. Hij werkt in een ziekenhuis.)