Jeszcze nie ma nauczyciela
Chcę nauczyciela!

Ćwiczenie 1: Przestaw zdania

Instrukcja: Ułóż poprawne zdania.

Pokaż odpowiedzi
1.
mijn ouders | twee kinderen. | Dit zijn | en mijn
Dit zijn mijn ouders en mijn twee kinderen.
(To są moi rodzice i moje dwoje dzieci.)
2.
zus wonen | Mijn broer | Nederland. | en mijn | niet in
Mijn broer en mijn zus wonen niet in Nederland.
(Mój brat i moja siostra nie mieszkają w Holandii.)
3.
kleinkind. | praten graag | Onze opa | met het | en oma
Onze opa en oma praten graag met het kleinkind.
(Nasz dziadek i nasza babcia chętnie rozmawiają z wnukiem.)
4.
dit uw | Is dit | uw gezin | hele familie? | of is
Is dit uw gezin of is dit uw hele familie?
(Czy to jest państwa rodzina, czy to cała wasza rodzina?)
5.
broers | heb | en | jij? | Hoeveel | zussen
Hoeveel broers en zussen heb jij?
(Ilu masz braci i sióstr?)

Ćwiczenie 2: Dopasować słowo

Instrukcja: Dopasuj każdy początek do właściwego zakończenia.

Dit is mijn moeder, ze woont in Utrecht. (To jest moja mama, mieszka w Utrechcie.)
Heb je broers of zussen, of ben je enig kind? (Masz braci lub siostry, czy jesteś jedynakiem?)
Mijn ouders komen vanavond op bezoek. (Moi rodzice przyjdą dziś wieczorem w odwiedziny.)
Ik heb twee kinderen: een zoon en een dochter. (Mam dwoje dzieci: syna i córkę.)

Ćwiczenie 3: Posłuchaj i odpowiedz na pytania

Instrukcja: Posłuchaj fragmentów audio i wybierz poprawną odpowiedź na pytania.

1. Ik ben Tom. Mijn gezin is klein. Ik heb één broer en geen zus. Mijn ouders wonen in Utrecht. We praten elke zondag met opa en oma via video.

Waar spreekt Tom vooral over?

(Waar spreekt Tom vooral over?)
2. Ik heet Sara. Dit is mijn eerste dag op het werk. Mijn man en ik hebben twee kinderen, een zoon en een dochter. Collega’s vragen vaak naar mijn gezin.

Wat vertelt Sara over haar gezin?

(Wat vertelt Sara over haar gezin?)

Ćwiczenie 4: Wielokrotny wybór

Instrukcja: Wybierz poprawne rozwiązanie

1. Ik ___ met mijn zus over onze ouders.

(Ja ___ z moją siostrą o naszych rodzicach.)

2. Mijn collega ___ graag over zijn gezin.

(Mój kolega ___ chętnie o swojej rodzinie.)

3. Wij ___ met jouw ouders tijdens de pauze.

(My ___ z twoimi rodzicami podczas przerwy.)

Ćwiczenie 5: Karty dialogowe

Instrukcja: Ćwicz rozmowę z nauczycielem lub kolegami z klasy.

Ćwiczenie 6: Zareaguj na sytuację

Instrukcja: Ćwiczenia w parach lub z nauczycielem.

1. Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands bedrijf. In de pauze vraagt een collega: “Heb jij een groot gezin?” Vertel kort over jouw gezin. (Gebruik: het gezin, ik heb, wonen)

(Je bent op je eerste werkdag in een Nederlands bedrijf. In de pauze vraagt een collega: “Heb jij een groot gezin?” Vertel kort over jouw gezin. (Gebruik: het gezin, ik heb, wonen))

Mijn gezin is    

(Mijn gezin is ...)

Przykład:

Mijn gezin is klein. Ik heb één kind en we wonen in Amsterdam.

(Mijn gezin is klein. Ik heb één kind en we wonen in Amsterdam.)

2. Je bent op een netwerkborrel. Iemand vraagt: “Heb je broers of zussen?” Vertel kort over jouw broer of zus. (Gebruik: de broer, de zus, ik heb, werken / studeren)

(Je bent op een netwerkborrel. Iemand vraagt: “Heb je broers of zussen?” Vertel kort over jouw broer of zus. (Gebruik: de broer, de zus, ik heb, werken / studeren))

Ik heb een    

(Ik heb een ...)

Przykład:

Ik heb een broer. Hij werkt in een ziekenhuis.

(Ik heb een broer. Hij werkt in een ziekenhuis.)