Lessen

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Groeten en afscheid (Groeten en afscheid)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Alfabet
Hoofdstuk: Je naam zeggen (Je naam zeggen)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Artikelen
Hoofdstuk: Waar kom je vandaan? (Waar kom je vandaan?)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Zelfstandige naamwoorden
Hoofdstuk: Waar kom je vandaan? (Waar kom je vandaan?)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Nummers
Hoofdstuk: Cijfers en tellen (Cijfers en tellen)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Familie (Familie)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Vragen
Hoofdstuk: Je leeftijd zeggen (Je leeftijd zeggen)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Vragen
Hoofdstuk: Beroepen en studies (Beroepen en studies)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Adres en contactgegevens (Adres en contactgegevens)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Vragen
Hoofdstuk: Adres en contactgegevens (Adres en contactgegevens)
Module 1 (A1): Jezelf voorstellen (Jezelf voorstellen)
Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Dagen van de week en dagdelen (Dagen van de week en dagdelen)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Het weer (Het weer)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Nummers
Hoofdstuk: Rangtelwoorden (Rangtelwoorden)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Seizoenen, maanden en delen van het jaar (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Hoe laat is het? De klok lezen. (Hoe laat is het? De klok lezen.)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Kalenderdata en feestdagen (Kalenderdata en feestdagen)
Module 2 (A1): Van uren tot seizoenen (Van uren tot seizoenen)
Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Dagelijks eten (Dagelijks eten)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Dagelijkse routines (Dagelijkse routines)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Koken en bakken (Koken en bakken)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Dingen vragen (Dingen vragen)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Prijzen en geld (Prijzen en geld)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Boodschappen doen (Boodschappen doen)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: In de kledingwinkel (In de kledingwinkel)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Lichaamsdelen (Lichaamsdelen)
Module 3 (A1): Dag tot dag (Dag tot dag)
Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Fysiek en uiterlijk (Fysiek en uiterlijk)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Kleuren (Kleuren)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Emoties en gevoelens (Emoties en gevoelens)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Zintuigen en waarnemen (Zintuigen en waarnemen)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Vormen en figuren (Vormen en figuren)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Karakter en persoonlijkheid (Karakter en persoonlijkheid)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Zelfstandige naamwoorden
Hoofdstuk: Fysieke toestanden en sensaties (Fysieke toestanden en sensaties)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Ziekte en pijn (Ziekte en pijn)
Module 4 (A1): Objecten en mensen beschrijven (Objecten en mensen beschrijven)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Ons huis (Ons huis)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Meubilair (Meubilair)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Servies (Servies)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Huishoudelijke apparaten (Huishoudelijke apparaten)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Huisvesting en accommodatie (Huisvesting en accommodatie)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Kamerplanten en tuinplanten (Kamerplanten en tuinplanten)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Jouw huisdieren (Jouw huisdieren)
Module 5 (A1): Thuis (Thuis)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Dagelijkse diensten (Dagelijkse diensten)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Eten bestellen en uit eten gaan (Eten bestellen en uit eten gaan)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Sport en beweging (Sport en beweging)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Hobby's beschrijven (Hobby's beschrijven)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Transport (Transport)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Routebeschrijving vragen en geven (Routebeschrijving vragen en geven)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Vrijdagavond uit (Vrijdagavond uit)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)
Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Muziek en kunst (Muziek en kunst)
Module 6 (A1): De stad en het dorp (De stad en het dorp)