Ejercicio 1: Reordenar oraciones

Instrucción: Haz frases correctas.

Mostrar respuestas
1.
beroep? | Wat | is | uw
Wat is uw beroep?
(¿Cuál es su profesión?)
2.
middelbare school. | op een | ik werk | Ik ben | leraar en
Ik ben leraar en ik werk op een middelbare school.
(Soy profesor y trabajo en un instituto.)
3.
manager van | uw team? | de nieuwe | Wie is
Wie is de nieuwe manager van uw team?
(¿Quién es el nuevo responsable de su equipo?)
4.
student en | de universiteit. | Ik ben | ik studeer | techniek aan
Ik ben student en ik studeer techniek aan de universiteit.
(Soy estudiante y estudio ingeniería en la universidad.)
5.
jij | Welke | nu? | doe | studie
Welke studie doe jij nu?
(¿Qué carrera estudias ahora?)

Ejercicio 2: Emparejar una palabra

Instrucción: Relaciona cada comienzo con su final correcto.

Ik ben student en ik studeer in Amsterdam. (Soy estudiante y estudio en Ámsterdam.)
Wat studeer jij aan de universiteit? (¿Qué estudias en la universidad?)
Mijn buurman is dokter in het ziekenhuis. (Mi vecino es médico en el hospital.)
Wie werkt er als brandweerman? (¿Quién trabaja como bombero?)

Ejercicio 3: Escucha y contesta las preguntas

Instrucción: Escucha los fragmentos de audio y elige la respuesta correcta a las preguntas.

1. Hallo, ik ben Sarah. Ik werk in het ziekenhuis als verpleger. En jij, wat voor werk doe jij?

Wat zegt Sarah over haar werk?

(¿Qué dice Sarah sobre su trabajo?)
2. Hoi, ik ben Tom. Ik ben student en ik studeer rechten in Amsterdam. Mijn vriendin studeert ook; zij wil ingenieur worden.

Wat studeert Tom?

(¿Qué estudia Tom?)

Ejercicio 4: Opción múltiple

Instrucción: Elige la solución correcta

1. Ik ___ als ingenieur in Amsterdam.

(Ik ___ als ingenieur in Amsterdam.)

2. Wat ___ jij als je niet aan je studie werkt?

(Wat ___ jij als je niet aan je studie werkt?)

3. Mijn zus ___ als dokter in een groot ziekenhuis.

(Mijn zus ___ als dokter in een groot ziekenhuis.)

Ejercicio 5: Tarjetas de diálogo

Instrucción: Practica la conversación con tu profesor o tus compañeros de clase.

Ejercicio 6: Responde a la situación

Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.

1. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Stel je kort voor aan iemand die je nog niet kent. Zeg wie je bent en wat jouw beroep is. (Gebruik: de leraar, werken als, op kantoor)

(Estás en un cóctel de networking en Ámsterdam. Preséntate brevemente a alguien que no conoces. Di quién eres y cuál es tu profesión. (Gebruik: de leraar, werken als, op kantoor))

Ik werk als    

(Ik werk als ...)

Ejemplo:

Ik werk als leraar op een kleine taalschool in Amsterdam.

(Ik werk als leraar op een kleine taalschool in Amsterdam.)

2. Je zit naast een nieuwe collega in de kantine. Vraag op een eenvoudige manier wat zijn of haar beroep is. (Gebruik: de dokter, de ingenieur, wat doe jij?)

(Estás sentado junto a un nuevo compañero en la cantina. Pregunta de forma sencilla cuál es su profesión. (Gebruik: de dokter, de ingenieur, wat doe jij?))

Wat doe jij    

(Wat doe jij ...)

Ejemplo:

Wat doe jij voor werk? Werk je als ingenieur?

(Wat doe jij voor werk? Werk je als ingenieur?)