A2.1 - Vakantieplannen
A2.1 - Vakantieplannen

A2.1 - Vakantieplannen - Oefeningen

Plany wakacyjne


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel de items die een verwante betekenis hebben.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Wakacje za granicą — urlop w innym kraju (Vakantie in het buitenland — vakantie in een ander land)
wakacje all inclusive — wakacje ze wszystkim w cenie (all-inclusive vakantie — vakantie met alles inbegrepen)
Zwiedzanie — oglądanie zabytków (Bezienswaardigheden bezoeken — monumenten bekijken)
Idę do biura podróży — jadę do biura podróży (Ik ga naar het reisbureau — ik rijd naar het reisbureau)

Oefening 2: Examenvoorbereiding (QR: Audio)

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.


Newsletter biura podróży: krótki urlop w Polsce lub za granicą

Vul de lege plekken in: organizować, all inclusive, planuje, wakacje, góry, morze, plaży, zwiedzanie

(Nieuwsbrief van het reisbureau: korte vakantie in Polen of in het buitenland)

Biuro podróży „Weekend+” informuje: sezon na wyjazdy trwa od maja do listopada. Coraz więcej osób krótsze , bo jest taniej i jest mniej turystów. Najpopularniejsze kierunki w Polsce to , i jeziora. W ofercie są też wyjazdy za granicę oraz pakiety .

Jak wyjazd? Najpierw wybierz cel i transport: pociąg, samochód lub samolot. Na miejscu możesz odpoczywać na albo wybrać . Rezerwacje przyjmujemy online.
Reisbureau „Weekend+” informeert: het seizoen voor uitstapjes duurt van mei tot november. Steeds meer mensen plannen kortere vakanties (5–7 dagen), omdat het goedkoper is en er minder toeristen zijn. De populairste bestemmingen in Polen zijn de zee, de bergen en de meren. In het aanbod zijn er ook reizen naar het buitenland en all-inclusivepakketten.

Hoe organiseer je een reis? Kies eerst het doel en het vervoer: trein, auto of vliegtuig. Ter plaatse kun je uitrusten op het strand of kiezen voor sightseeing. Reserveringen nemen we online aan.

  1. Jakie są dwie propozycje spędzania czasu na miejscu i jaki rodzaj transportu sam byś wybrał (krótko uzasadnij)?

    (Welke twee voorstellen om ter plaatse de tijd door te brengen worden genoemd en welk vervoermiddel zou jij zelf kiezen (licht kort toe)? )

Oefening 3: Luistervaardigheid

Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

W tym roku planuję wakacje w Polsce, bo mam mało urlopu. Najpierw jadę pociągiem nad morze na pięć dni. Chcę chodzić na plażę i trochę zwiedzać, ale bez pośpiechu. Potem wracam do pracy na tydzień, a w sierpniu organizuję krótki wyjazd w góry. Myślałam też o biurze podróży i wakacjach all inclusive za granicą, ale to dopiero w przyszłym roku.
(Dit jaar plan ik vakantie in Polen, omdat ik weinig verlof heb. Eerst ga ik met de trein naar de zee voor vijf dagen. Ik wil naar het strand gaan en een beetje rondkijken, maar zonder haast. Daarna ga ik terug naar het werk voor een week, en in augustus organiseer ik een korte trip naar de bergen. Ik dacht ook aan een reisbureau en een all-inclusive vakantie in het buitenland, maar dat pas volgend jaar.)
Waar Onwaar

(Aan het begin van haar verlof gaat ze met de trein naar de zee.)

(Na haar verblijf aan zee heeft ze meteen weer een paar vrije dagen, zonder te werken.)

(Dit jaar plant ze een all-inclusive vakantie in het buitenland.)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. W tym roku ___ wakacje nad morzem, ale jeszcze nie wiem, czy pojadę z biurem podróży.

(Dit jaar ___ een vakantie aan zee, maar ik weet nog niet of ik met een reisbureau ga.)

2. Zwykle ___ ferie zimowe w górach, bo lubimy narty.

(Meestal ___ we de wintervakantie in de bergen, omdat we van skiën houden.)

3. Moja koleżanka ___ wakacje za granicą i szuka lotów do Hiszpanii.

(Mijn collega ___ een vakantie in het buitenland en zoekt vluchten naar Spanje.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Oefening 6: Discussievragen (QR: AI+)

Instructie: Spreken: vertaal en beantwoord (QR: AI+)

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Nuttige uitdrukkingen:

Zwykle spędzam wakacje nad morzem/w górami/nad jeziorem. / Jestem na urlopie i często chodzę na plażę/na zwiedzanie. / Jadę na wakacje pociągiem/samochodem/samolotem, ponieważ…

  1. Gdzie najczęściej spędzasz wakacje w Polsce lub za granicą i co tam zwykle robisz?
    Waar breng je het vaakst je vakantie door in Polen of in het buitenland en wat doe je daar meestal?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Jak planujesz dojechać na wakacje i dlaczego wybierasz ten środek transportu?
    Hoe ben je van plan naar je vakantie te reizen en waarom kies je dat vervoermiddel?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 7: Brief schrijven (QR: AI+)

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.


Cześć! Tu Ania z pracy. Mam pytanie o wakacje. W lipcu biorę tydzień wolnego i chciałabym zrobić krótki wyjazd (5–7 dni). Myślę o Polsce: morze albo góry. Ty już coś planujesz?

Możemy pojechać razem. Ja mogę jechać pociągiem albo autem. Chciałabym trochę zwiedzania, a trochę odpoczynku na plaży albo na szlaku. Daj znać, gdzie chcesz jechać i w jakim terminie.


Hoi! Hier is Ania van het werk. Ik heb een vraag over vakantie. In juli neem ik een week vrij en ik zou graag een korte trip maken (5–7 dagen). Ik denk aan Polen: zee of bergen. Heb jij al iets gepland?

We kunnen samen gaan. Ik kan met de trein of met de auto. Ik zou graag een beetje bezienswaardigheden bekijken en een beetje uitrusten op het strand of op een wandelroute. Laat weten waar je heen wilt en in welke periode.


Nuttige zinnen:

  1. W lipcu planuję wyjazd na … i mogę jechać …

    (In juli plan ik een trip naar … en ik kan reizen met …)

  2. Wolałbym/Wolałabym jechać do …, bo chcę …

    (Ik ga liever naar …, omdat ik … wil)

  3. Możemy spotkać się w … i potem jechać na …

    (We kunnen afspreken in … en daarna naar … reizen)

Cześć Aniu! Dziękuję za wiadomość. Ja też planuję krótki urlop w lipcu, najlepiej 6 dni. Wolałbym jechać nad morze — chcę odpocząć na plaży i trochę pozwiedzać nadmorskie miasteczka. Mogę jechać pociągiem lub autem, dla mnie pociąg jest wygodny. Pasuje mi termin 15–20 lipca. Proponuję jedną aktywność: spacer po klifach i zwiedzanie latarni morskiej. Co o tym myślisz?

Hoi Ania! Bedankt voor je bericht. Ik plan ook een korte vakantie in juli, het liefst 6 dagen. Ik zou liever naar de zee gaan — ik wil uitrusten op het strand en een beetje de kustplaatsjes verkennen. Ik kan met de trein of met de auto; voor mij is de trein handig. De periode 15–20 juli past mij. Ik stel één activiteit voor: een wandeling langs de kliffen en een bezoek aan de vuurtoren. Wat vind je ervan?