Formen van het onpersoonlijke werkwoord: jest, było, będzie...

Formy bezosobowe czasownika: jest, było, będzie...


W języku polskim bardzo często używamy form bezosobowych takich jak np. jest, nie ma, trzeba, można itd.

(In het Pools gebruiken we heel vaak onpersoonlijke vormen zoals bijvoorbeeld jest, nie ma, trzeba, można enz.)

Wat betekent de constructie met się?

De vorm met się gebruik je als je in het Pools zegt: “men / je / er wordt …”.

  • De uitvoerder is algemeen of onbelangrijk.
  • Het gaat vaak om regels, gewoontes, instructies of typische situaties.
Nederlands Pools
Hier werkt men rustig. Tu pracuje się spokojnie.
In Polen betaalt men vaak met kaart. W Polsce często płaci się kartą.

Vorm: 3e persoon + się (bijna altijd)

De basisregel is heel praktisch:

  • Werkwoord in de 3e persoon enkelvoud + się
Infinitief Onpersoonlijk (nu) Betekenis
robić robi się men doet / er wordt gedaan
czekać czeka się men wacht / er wordt gewacht
iść idzie się men loopt / je loopt

Let op: je zegt dus niet robimy się of idą się als je “men” bedoelt.

Woordvolgorde: waar zet je się?

Meest neutraal:

  • werkwoord + się: robi się, płaci się, idzie się

Met plaats/tijd vooraan is dit heel typisch:

  • Op + plaats/tijd + werkwoord + się
Na tym szlaku idzie się powoli.
W tym urzędzie czeka się w kolejce.

Praktisch advies: zet się niet helemaal aan het begin van de zin. Kies liever de veilige standaard: werkwoord + się.

Tijden: nu, vroeger, later

Je vervoegt het werkwoord gewoon in de tijd die je nodig hebt en je houdt się erbij.

Tijd Voorbeeld Betekenis
nu Tu dużo się pracuje. Hier werkt men veel.
vroeger Kiedyś dużo się pracowało. Vroeger werkte men veel.
later Jutro będzie się pracować. Morgen zal men werken.

Toekomst: będzie się + infinitief is het meest bruikbaar in de praktijk.

Bestaan en afwezigheid: jest / było / będzie vs nie ma

Dit zijn twee verschillende ideeën:

  • jest / było / będzie = “het is/was/zal … (bijv. nat, stil, koud)”
  • nie ma = “er is geen … / het is er niet (iets ontbreekt)”
Situatie Pools Nederlands
toestand (bijvoeglijk naamwoord) Dziś jest mokro. Vandaag is het nat.
iets ontbreekt (zelfstandig naamwoord) W schronisku nie ma miejsc. In de berghut zijn geen plaatsen.

Veelgemaakte fout: nie jest miejsc is niet goed. Bij “er is geen …” gebruik je meestal nie ma + (genitief).

Snelle zelfcheck (A2): kies in 3 stappen

  1. Wil je “men/je/er wordt” zeggen? → kies 3e persoon enkelvoud + się.
  2. Wil je een toestand beschrijven (nat, koud, rustig)? → jest/było/będzie.
  3. Wil je zeggen dat iets er niet is (geen plaatsen, geen tijd)? → nie ma / nie było / nie będzie.
  1. We vormen ze door bij regelmatige werkwoorden in de derde persoon het voornaamwoord się toe te voegen.
Dawniej (Vroeger)Obecnie (Nu)Za parę lat (Over een paar jaar)
było (het was)jest (het is)będzie (het zal zijn)
nie było (het was er niet)nie ma (het is er niet)nie będzie (het zal er niet zijn)
robiło się (men deed)robi się (men doet)będzie się robić / będzie się robiło (men zal doen / men zal aan het doen zijn)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Na szlaku turystycznym ___ dziś bardzo mokro, więc trzeba założyć wygodne buty trekkingowe.

Op het wandelpad ___ het vandaag erg nat, dus je moet comfortabele wandelschoenen aantrekken.

2. W schronisku ___ już wolnych miejsc, więc szukamy noclegu w pobliskiej wsi.

In de berghut ___ er al geen vrije plaatsen meer, dus zoeken we een overnachtingsplek in het nabijgelegen dorp.

3. Wczoraj na punkcie widokowym ___ bardzo wietrznie, ale widoki były piękne.

Gisteren ___ het bij het uitzichtpunt erg winderig, maar het uitzicht was prachtig.

4. Na tym szlaku ___ powoli, bo jest dużo wspinaczki i trzeba pokonywać kamienie.

Op dit pad ___ langzaam, omdat er veel geklommen moet worden en je over stenen moet komen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door persoonlijke vormen te vervangen door onpersoonlijke vormen met „zich” (bijv. „Mensen werken hier” → „Hier wordt gewerkt”).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. W tej firmie pracownicy rozmawiają po polsku i po angielsku.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W tej firmie rozmawia się po polsku i po angielsku.
    (In dit bedrijf spreekt men Pools en Engels.)
  2. W naszym biurze ludzie piją kawę tylko w kuchni.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W naszym biurze pije się kawę tylko w kuchni.
    (In ons kantoor drinkt men koffie alleen in de keuken.)
  3. W tym urzędzie klienci czekają w kolejce.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W tym urzędzie czeka się w kolejce.
    (In dit kantoor wacht men in de rij.)
  4. W Polsce ludzie płacą kartą w większości sklepów.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    W Polsce płaci się kartą w większości sklepów.
    (In Polen betaalt men in de meeste winkels met een kaart.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Joanna Majchrowska

Master Spaanse filologie

University of Lodz

University_Logo

Polen


Laatst bijgewerkt:

maandag, 18/05/2026 10:38