A1.13 - Decir la hora y leer el reloj
De tijd vertellen en de klok lezen
1. Inmersión lingüística
A1.13.1 Actividad
Organización semanal
3. Gramática
A1.13.2 Gramática
¿Cómo se dice la hora?
verbo clave
Vertrekken (salir)
verbo clave
Aankomen (llegar)
4. Ejercicios
Ejercicio 1: Preparación del examen
Instrucción: Lee el texto, rellena los huecos con las palabras que faltan y responde a las preguntas que aparecen a continuación
Dienstregeling bushalte Laan van Europa
Words to use: vertrekt, half, kwart, klok, ochtend, tijd, kwart, middernacht
(Horario de la parada de autobús Laan van Europa)
Bij bushalte Laan van Europa hangt een grote blauwe . Veel mensen kijken daar naar de . Op maandag tot en met vrijdag bus 15 elke dertig minuten. De eerste bus in de ochtend vertrekt om vijf voor zeven; de volgende bus is om acht. In de middag rijdt de bus ook vaak. De bus van over acht is belangrijk: dan gaan veel kinderen naar school en veel mensen naar het werk. In de avond vertrekt de laatste bus om voor twaalf. Na rijden er geen bussen meer; reizigers moeten dan wachten tot de volgende .En la parada de autobús Laan van Europa cuelga un gran reloj azul. Mucha gente mira allí la hora. De lunes a viernes sale el autobús 15 cada treinta minutos. El primer autobús de la mañana sale cinco para las siete; el siguiente autobús es a las siete y media. Por la tarde el autobús también circula con frecuencia. El autobús de cuarto pasado las ocho es importante: entonces muchos niños van al colegio y muchas personas al trabajo. Por la noche sale el último autobús a cuarto para las doce. Después de la medianoche no circulan más autobuses; los viajeros deben entonces esperar hasta la mañana siguiente.
-
Waarom is de bus van kwart over acht belangrijk?
(¿Por qué es importante el autobús de cuarto pasado las ocho?)
-
Hoe laat vertrekt de eerste bus in de ochtend?
(¿A qué hora sale el primer autobús de la mañana?)
-
Gebruik jij vaak de bus in jouw eigen woonplaats? Vertel kort over jouw ervaring.
(¿Usas a menudo el autobús en tu localidad? Cuenta brevemente tu experiencia.)
Ejercicio 2: Emparejar una palabra
Instrucción: Relaciona cada comienzo con su final correcto.
Ejercicio 3: Opción múltiple
Instrucción: Elige la solución correcta
1. De trein naar Amsterdam vertrekt om half negen, hij ___ altijd stipt.
(El tren a Ámsterdam sale a las ocho y media; él ___ siempre puntual.)2. De bus ___ om kwart over acht aan, hij komt vaak te laat aan.
(El autobús ___ a las ocho y cuarto; suele llegar con retraso.)3. Ik ___ om vijf voor drie van mijn werk, want om drie uur heb ik een afspraak.
(Yo ___ a las dos menos cinco del trabajo, porque a las tres tengo una cita.)4. Hoe laat ___ jij morgen aan op kantoor? Ik denk dat ik om tien over negen aankom.
(¿A qué hora ___ tú mañana a la oficina? Creo que llegaré a las nueve y diez.)Ejercicio 4: Tarjetas de diálogo
Instrucción: Selecciona una situación y practica la conversación con tu profesor o compañeros.
Afspraak voor koffie met collega
Collega Mark: Mostrar Hoe laat is het nu? Ik wil graag koffie.
(¿Qué hora es ahora? Me apetece tomar un café.)
Jij: Mostrar Het is kwart over tien.
(Son las diez y cuarto.)
Collega Mark: Mostrar Zullen we om half elf in de kantine afspreken?
(¿Quedamos a las diez y media en la cantina?)
Jij: Mostrar Ja, goed, om half elf ben ik daar.
(Sí, perfecto, a las diez y media estaré allí.)
Preguntas abiertas:
1. Hoe laat neem jij meestal pauze op je werk?
¿A qué hora sueles hacer una pausa en el trabajo?
2. Met wie drink jij vaak koffie of thee, en waar?
¿Con quién sueles tomar café o té y dónde?
3. Op welke momenten van de dag ben jij druk op je werk?
¿En qué momentos del día estás más ocupado en el trabajo?
Trein naar Utrecht in de vroege ochtend
Jij: Mostrar Sorry, weet u hoe laat de trein naar Utrecht vertrekt?
(Perdone, ¿sabe usted a qué hora sale el tren a Utrecht?)
Reiziger: Mostrar Ja, die vertrekt om vijf over acht.
(Sí, sale a las ocho y cinco.)
Jij: Mostrar O, dank u, het is nu acht uur, toch?
(Ah, gracias. Ahora son las ocho en punto, ¿verdad?)
Reiziger: Mostrar Ja, het is stipt acht uur, dus u bent mooi op tijd.
(Sí, son exactamente las ocho, así que llega con tiempo.)
Preguntas abiertas:
1. Ben jij vaak vroeg of laat op het station? Waarom?
¿Sueles llegar temprano o tarde a la estación? ¿Por qué?
2. Hoe laat vertrek jij meestal van huis naar je werk?
¿A qué hora sueles salir de casa hacia el trabajo?
3. Welk moment van de dag vind jij fijn om te reizen, ochtend of middag?
¿Qué momento del día prefieres para viajar, la mañana o la tarde?
Ejercicio 5: Responde a la situación
Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.
1. Je bent op je werk. Je collega wil een korte meeting doen, maar jij moet om een andere tijd weg. Vraag hoe laat de meeting precies is en zeg ook wanneer jij weg moet. (Gebruik: Hoe laat is het?, Het is..., stipt)
(Estás en tu trabajo. Tu colega quiere hacer una breve reunión, pero tú tienes que irte a otra hora. Pregunta a qué hora es exactamente la reunión y di también cuándo tienes que irte. (Usa: Hoe laat is het?, Het is..., stipt))Hoe laat is het ,
(Hoe laat is het...,)Ejemplo:
Hoe laat is het precies? Het is voor mij belangrijk dat we stipt beginnen, want ik moet om vier uur weg.
(¿A qué hora es exactamente? Para mí es importante que empecemos puntualmente, porque tengo que irme a las cuatro.)2. Je zit in de trein naar Amsterdam. Je partner stuurt een bericht: "Wanneer kom je aan?" Antwoord en zeg ook hoe laat de trein vertrekt. (Gebruik: aankomen, vertrekken, Het is...)
(Estás en el tren hacia Ámsterdam. Tu pareja envía un mensaje: "¿Cuándo llegas?" Responde y di también a qué hora sale el tren. (Usa: aankomen, vertrekken, Het is...))Ik kom aan om ,
(Ik kom aan om...,)Ejemplo:
Ik kom aan om half drie. De trein vertrekt om twee uur.
(Llego a las dos y media. El tren sale a las dos.)3. Je hebt om de middag een afspraak bij de huisarts. De assistent vraagt: "Hoe laat kunt u komen?" Antwoord en zeg op welke tijd jij graag een afspraak wilt. (Gebruik: de middag, kwart over, kwart voor)
(Tienes una cita por la tarde en el consultorio del médico. La asistente pregunta: "¿A qué hora puede venir?" Responde y di a qué hora te gustaría tener la cita. (Usa: de middag, kwart over, kwart voor))In de middag kan ik
(In de middag kan ik...)Ejemplo:
In de middag kan ik goed. Kunt u de afspraak op kwart over twee zetten?
(Por la tarde me viene bien. ¿Puede poner la cita a las dos y cuarto?)4. Je spreekt met een vriend af om samen te sporten. Jij komt meestal laat. Nu wil je zeggen dat je echt op tijd komt. Zeg hoe laat je er bent en dat je niet laat komt. (Gebruik: laat, vroeg, stipt)
(Quedas con un amigo para hacer ejercicio juntos. Normalmente llegas tarde. Ahora quieres decir que vas a llegar puntualmente. Di a qué hora estarás allí y que no llegarás tarde. (Usa: laat, vroeg, stipt))Ik ben niet laat ,
(Ik ben niet laat...,)Ejemplo:
Ik ben niet laat vandaag. Ik ben om zeven uur daar, stipt op tijd.
(No llego tarde hoy. Estaré allí a las siete, puntual.)Ejercicio 6: Ejercicio de escritura
Instrucción: Escribe 4 o 5 frases sobre tu viaje al trabajo o a la escuela: ¿a qué hora sales de casa y a qué hora llegas?
Expresiones útiles:
Hoe laat vertrekt de bus? / Ik vertrek om ... uur van huis. / Ik kom om ... uur op mijn werk / op school aan. / In de ochtend / middag / avond reis ik met de bus / trein / auto.
Oefening 7: Ejercicio de conversación
Instructie:
- Hoe laat is het op de foto's? (¿Qué hora es en las fotos?)
- Hoe laat is het op dit moment? (¿Qué hora es ahora?)
Pautas docentes +/- 10 minutos
Instrucciones didácticas
- Lee las frases de ejemplo en voz alta.
- Responde a las preguntas sobre la imagen.
- Los estudiantes también pueden preparar este ejercicio como un texto escrito para la próxima clase.
Frases de ejemplo:
|
Het is half 4. Son las tres y media. |
|
Het is vier uur in de middag. Son las cuatro de la tarde. |
|
Het is kwart voor twaalf. Son las doce menos cuarto. |
|
Het is tien over vijf. Son las cinco y diez. |
|
Het is kwart over tien in de ochtend. Son las diez y cuarto de la mañana. |
|
Het is één uur 's nachts. Es la una de la madrugada. |
| ... |