A1.33 - Stoviglie
Serviesgoed
1. Immersione linguistica
A1.33.1 Attività
Stasera abbiamo degli ospiti!
3. Grammatica
A1.33.2 Grammatica
Preposizioni di luogo (aan, in, onder, ...)
verbo chiave
Snijden (tagliare)
4. Esercizi
Esercizio 1: Preparazione all'esame
Istruzione: Leggi il testo, riempi gli spazi con le parole mancanti e rispondi alle domande qui sotto
Uitnodiging: Diner bij Lisa thuis
Parole da usare: af, pot, pan, lepel, kommen, glas, wast, bord, vork, bestek, mes
(Invito: cena a casa di Lisa)
Aanstaande zaterdag geeft Lisa een etentje voor haar nieuwe collega’s. Ze wil de tafel mooi dekken. Op de grote tafel in de woonkamer legt ze eerst een wit tafelkleed. Voor elke stoel zet ze een . Rechts van het bord legt ze een en een , links legt ze een . Boven het bord staat een voor water.
In de keuken kookt Lisa soep in een en pasta in een grote . Ze zet de en tassen klaar op het aanrecht. Na het eten ze alles met haar partner. Hij droogt het en zet het terug in de lade. Zo is de keuken weer snel netjes en klaar voor de volgende dag.Sabato prossimo Lisa organizza una cena per i suoi nuovi colleghi. Vuole apparecchiare la tavola in modo elegante. Sul grande tavolo del soggiorno mette prima una tovaglia bianca. Per ogni sedia pone un piatto. A destra del piatto mette un coltello e un cucchiaio, a sinistra una forchetta. Sopra il piatto c'è un bicchiere per l'acqua.
In cucina Lisa prepara la zuppa in una pentola e la pasta in una pentola più grande. Sistema le ciotole e le tazze sul piano di lavoro. Dopo aver mangiato lava tutto insieme al suo partner. Lui asciuga le posate e le rimette nel cassetto. Così la cucina torna in fretta in ordine e sarà pronta per il giorno dopo.
-
Waar liggen het mes en de vork op de tafel van Lisa?
(Dove si trovano il coltello e la forchetta sulla tavola di Lisa?)
-
Wat kookt Lisa in de keuken voor haar gasten?
(Cosa cucina Lisa in cucina per i suoi ospiti?)
-
Hoe ziet jouw tafel eruit als je gasten krijgt? Vertel.
(Com'è apparecchiata la tua tavola quando hai ospiti? Racconta.)
Esercizio 2: Abbaia
Istruzione: Abbina ogni inizio con la sua corretta conclusione.
Esercizio 3: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la soluzione corretta
1. Ik ___ het brood op het aanrecht en leg de plakken op een bord.
(Io ___ il pane sul tagliere e metto le fette su un piatto.)2. Jij ___ de kaas in kleine stukjes op de plank naast de pan.
(Tu ___ il formaggio a pezzetti sul tagliere vicino alla pentola.)3. Hij ___ de groenten in de kom en zet de kom op tafel tussen de borden.
(Lui ___ le verdure nella ciotola e pone la ciotola sul tavolo fra i piatti.)4. Wij ___ het vlees op het bord voor de gast en leggen het bestek naast het bord.
(Noi ___ la carne sul piatto per l'ospite e mettiamo le posate accanto al piatto.)Esercizio 4: Carte di dialogo
Istruzione: Seleziona una situazione e pratica la conversazione con il tuo insegnante o con i compagni di classe.
Tafel dekken voor vrienden
Mark (gastheer): Mostra Sara, wil jij de borden en de glazen op tafel zetten?
(Sara, puoi mettere i piatti e i bicchieri sul tavolo?)
Sara (vriendin): Mostra Ja hoor, waar staan de borden en de kommen?
(Sì, certo — dove sono i piatti e le ciotole?)
Mark (gastheer): Mostra De borden staan in de kast, de kommen naast de pannen.
(I piatti sono nell'armadio, le ciotole sono accanto alle pentole.)
Sara (vriendin): Mostra Prima, dan pak ik ook alvast het bestek: lepels, messen en vorken.
(Perfetto, prendo anche le posate: cucchiai, coltelli e forchette.)
Domande aperte:
1. Wat zet jij op tafel als er bezoek komt?
Cosa metti sulla tavola quando vengono degli ospiti?
2. Wie doet bij jou thuis meestal de afwas?
Chi lava di solito i piatti a casa tua?
Afwassen na het etentje
Eva (buurvrouw): Mostra Luis, wil jij helpen met afwassen? Er zijn veel pannen en borden.
(Luis, vuoi aiutare a lavare i piatti? Ci sono molte pentole e piatti.)
Luis (buurman): Mostra Ja, ik was de borden en de tassen, jij droogt de glazen en het bestek?
(Sì, lavo i piatti e le tazze; tu asciughi i bicchieri e le posate?)
Eva (buurvrouw): Mostra Goed idee, het mes en de vork leg ik daarna weer in de lade.
(Ottima idea, poi rimetto il coltello e la forchetta nel cassetto.)
Luis (buurman): Mostra Mooi, dan is de keuken zo weer netjes.
(Bene, così la cucina sarà di nuovo in ordine.)
Domande aperte:
1. Help jij graag met afwassen na het eten? Waarom wel of niet?
Ti piace aiutare a lavare i piatti dopo aver mangiato? Perché sì o perché no?
2. Wat gebruik jij liever: een tas, een glas of een kom om uit te drinken?
Cosa preferisci usare per bere: una tazza, un bicchiere o una ciotola?
Esercizio 5: Rispondere alla situazione
Istruzione: Esercitatevi in coppia o con il vostro insegnante.
1. Je krijgt bezoek van een collega. Jullie eten samen pasta bij jou thuis. Vraag of je collega je wil helpen de tafel te dekken. (Gebruik: Het bord, De vork, helpen)
(Viene a trovarti un collega. Mangiate insieme la pasta a casa tua. Chiedi al collega se può aiutarti ad apparecchiare la tavola. (Usa: Het bord, De vork, helpen))Kun jij het bord
(Kun jij het bord ...)Esempio:
Kun jij het bord en de vork op tafel zetten, alsjeblieft?
(Kun jij het bord en de vork op tafel zetten, alsjeblieft?)2. Je bent bij vrienden op bezoek. Jij helpt in de keuken. Vraag waar je de lepels kunt vinden. (Gebruik: De lepel, De lade, weten)
(Sei a casa di amici e stai aiutando in cucina. Chiedi dove si trovano i cucchiai. (Usa: De lepel, De lade, weten))Waar liggen de lepel
(Waar liggen de lepel ...)Esempio:
Waar liggen de lepels? Ik wil graag de tafel dekken.
(Waar liggen de lepels? Ik wil graag de tafel dekken.)3. Je bent op je werk. In de lunchruimte wil je soep eten, maar je ziet geen kom. Vraag een collega om een kom. (Gebruik: De kom, De soep, mogen)
(Sei al lavoro. In sala pranzo vuoi mangiare la zuppa, ma non vedi nessuna scodella. Chiedi a un collega se puoi avere una scodella. (Usa: De kom, De soep, mogen))Mag ik de kom
(Mag ik de kom ...)Esempio:
Mag ik de kom voor de soep gebruiken?
(Mag ik de kom voor de soep gebruiken?)4. Je hebt een klein diner thuis met vrienden. De vaatwasser is vol. Vertel een vriend dat jij het bestek afwast, en vraag of hij de glazen droogt. (Gebruik: Het bestek, Afwassen, Het glas, samen)
(Organizzi una piccola cena a casa con amici. La lavastoviglie è piena. Di' a un amico che laverai le posate e chiedigli se può asciugare i bicchieri. (Usa: Het bestek, Afwassen, Het glas, samen))Ik was het bestek
(Ik was het bestek ...)Esempio:
Ik was het bestek af, wil jij de glazen drogen?
(Ik was het bestek af, wil jij de glazen drogen?)Esercizio 6: Esercizio di scrittura
Istruzione: Scrivi 4 o 5 frasi su come apparecchi la tavola quando vengono a trovarti amici o colleghi.
Espressioni utili:
Ik leg het bord op ... / Rechts van het bord ligt ... / Op de tafel staat ... / Na het eten doe ik ...
Oefening 7: Esercizio di conversazione
Instructie:
- Vraag om een voorwerp dat je nodig hebt door te geven. (Chiedi di passare qualsiasi oggetto di cui hai bisogno.)
- Noem al het serviesgoed en het gebruik ervan. (Nomina tutte le stoviglie e il loro utilizzo.)
Linee guida per l'insegnamento +/- 10 minuti
Istruzioni per l'insegnante
- Leggi ad alta voce le frasi di esempio.
- Rispondi alle domande riguardanti l'immagine.
- Gli studenti possono anche preparare questo esercizio come testo scritto per la prossima lezione.
Esempi di frasi:
|
De schaal met suiker staat op de tafel. La ciotola con lo zucchero è sul tavolo. |
|
De lepel is in de kom. Il cucchiaio è nella ciotola. |
|
Kun je het tafelkleed op de tafel leggen? Puoi mettere la tovaglia sul tavolo? |
|
Het glas is gevuld met sinaasappelsap. Il bicchiere è pieno di succo d'arancia. |
|
Het bord is gevuld met croissants. Il piatto è pieno di croissant. |
|
Kun je me een glas water aangeven? Puoi passarmi un bicchiere d'acqua? |
|
Wil je een kopje koffie of een kopje thee? Vuoi una tazza di caffè o una tazza di tè? |
|
De vork, het mes en de lepel liggen naast het bord. La forchetta, il coltello e il cucchiaio sono accanto al piatto. |
| ... |