A1.42.2 - Präpositionen der Richtung (door, langs, naar, ...)
Voorzetsels van richting ( door, langs, naar, ...)
Voorzetsels die een richting aangeven, zoals door, naar, langs. Bijvoorbeeld: Ik ga naar de stad.
(Präpositionen, die eine Richtung angeben, wie door, naar, langs. Zum Beispiel: Ich gehe naar die Stadt.)
| Voorzetsel (Präposition) | Voorbeeld (Beispiel) |
|---|---|
| door (durch) | De auto rijdt door de straat. (Das Auto fährt durch die Straße.) |
| naar (nach/zu) | Ik ga naar de stad. (Ich gehe in die Stadt.) |
| langs (entlang) | We lopen langs de rivier. (Wir gehen am Fluss entlang.) |
| om (um) | De bus rijdt om het gebouw. (Der Bus fährt um das Gebäude herum.) |
| over (über) | Het vliegtuig vliegt over de stad. (Das Flugzeug fliegt über die Stadt.) |
| tot (bis) | We lopen tot het einde van de straat. (Wir gehen bis zum Ende der Straße.) |
| van ... naar ... (von ... nach ...) | Ik reis van Amsterdam naar Rotterdam. (Ich reise von Amsterdam nach Rotterdam.) |
Übung 1: Präpositionen der Richtung (door, langs, naar, ...)
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
tot, naar, over, langs, door, om, van
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle die richtige Antwort
1. Ik fiets elke ochtend ___ het station en ga dan met de trein naar Amsterdam.
Ik fiets elke ochtend ___ het station en ga dan met de trein naar Amsterdam.)2. We lopen ___ de gracht en gaan dan naar de tramhalte.
We lopen ___ de gracht en gaan dan naar de tramhalte.)3. Je rijdt met de auto ___ het parkeerterrein en gaat daarna verder te voet.
Je rijdt met de auto ___ het parkeerterrein en gaat daarna verder te voet.)4. Ik reis elke week ___ Utrecht ___ Rotterdam met de trein.
Ik reis elke week ___ Utrecht ___ Rotterdam met de trein.)Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Formuliere die Sätze mit der richtigen Richtungspräposition (durch, nach, entlang, um, über, bis, von … nach …), damit die Richtung klar ist.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk loop door de straat.(Ik loop door de straat.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij gaan naar de supermarkt.(Wij gaan naar de supermarkt.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe kinderen lopen langs het park en kijken naar de bomen.(De kinderen lopen langs het park en kijken naar de bomen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe taxi rijdt om het station heen en stopt dan rechts.(De taxi rijdt om het station heen en stopt dan rechts.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe fietsers rijden over de brug en gaan naar het centrum.(De fietsers rijden over de brug en gaan naar het centrum.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk reis van Amsterdam naar Rotterdam voor mijn werk.(Ik reis van Amsterdam naar Rotterdam voor mijn werk.)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage