A2.10 - Did you hear the news?
A2.10 - Did you hear the news?

A2.10 - Did you hear the news? - Vocabulary

Heb je het nieuws gehoord?


Vocabulary (12)

De presentator

De presentator Show

The presenter Show

De presentatrice

De presentatrice Show

The female presenter Show

Het nieuws

Het nieuws Show

The news Show

Het verslag

Het verslag Show

The report Show

Het programma

Het programma Show

The programme Show

Het internet

Het internet Show

The internet Show

De zender

De zender Show

The channel Show

De reactie

De reactie Show

The reaction Show

Bezorgd

Bezorgd Show

Worried Show

Bekijken

Bekijken Show

To watch Show

Reageren

Reageren Show

To react Show

Een televisieprogramma bekijken

Een televisieprogramma bekijken Show

To watch a television programme Show

Doen (to do)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) deed
(jij/je) deed
(hij/zij/ze/het) deed
(wij/we) deden
(jullie) deden
(zij/ze) deden

Veranderen (to change)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) veranderde
(jij/je) veranderde
(hij/zij/ze/het) veranderde
(wij/we) veranderden
(jullie) veranderden
(zij/ze) veranderden

Zeggen (to say)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) zei
(jij/je) zei
(hij/zij/ze/het) zei
(wij/we) zeiden
(jullie) zeiden
(zij/ze) zeiden

Reageren (to react)

Onvoltooid verleden tijd (OVT)


(ik) reageerde
(jij/je) reageerde
(hij/zij/ze/het) reageerde
(wij/we) reageerden
(jullie) reageerden
(zij/ze) reageerden