Vocabulary (13)
Ontvangen (to receive)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb ontvangen |
| (jij/je) hebt ontvangen |
| (hij/zij/ze/het) heeft ontvangen |
| (wij/we) hebben ontvangen |
| (jullie) hebben ontvangen |
| (zij/ze) hebben ontvangen |
Sturen (to send)
Voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
| (ik) heb gestuurd |
| (jij/je) hebt gestuurd |
| (hij/zij/ze/het) heeft gestuurd |
| (wij/we) hebben gestuurd |
| (jullie) hebben gestuurd |
| (zij/ze) hebben gestuurd |