1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (17)

La chemise

La chemise Show

Het overhemd Show

Le pantalon

Le pantalon Show

De broek Show

Le jean

Le jean Show

De spijkerbroek Show

La jupe

La jupe Show

De rok Show

La veste

La veste Show

Het jasje Show

Le manteau

Le manteau Show

De jas Show

Le vêtement

Le vêtement Show

Het kledingstuk Show

Les chaussettes

Les chaussettes Show

De sokken Show

Les chaussures

Les chaussures Show

De schoenen Show

Les bottes

Les bottes Show

De laarzen Show

Les gants

Les gants Show

De handschoenen Show

Le sac à main

Le sac à main Show

De handtas Show

Le chapeau

Le chapeau Show

De hoed Show

Les lunettes

Les lunettes Show

De bril Show

Essayer

Essayer Show

Passen Show

Porter

Porter Show

Dragen Show

Faire les magasins

Faire les magasins Show

Winkelen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Publicité : Nouvelle boutique de vêtements

Woorden om te gebruiken: bottes, chemises, pantalons, vêtements, taille, essayer, sacs, jeans, jupes, manteaux, vestes, gants

(Reclame: Nieuwe kledingwinkel)

La boutique « Paris Style » ouvre aujourd’hui près de votre bureau. Ici, vous trouvez des simples pour le travail et le week-end : , , , et . Les vendeurs vous aident à choisir votre et à les vêtements tranquillement dans les cabines.

En hiver, le magasin propose aussi des , des , des et des à main. Les prix sont indiqués clairement sur chaque article. Si un vêtement ne vous va pas, vous pouvez le rendre avec le ticket de caisse. La boutique est ouverte du lundi au samedi, de 10 h à 19 h.
De winkel «Paris Style» gaat vandaag open vlakbij uw kantoor. Hier vindt u eenvoudige kleding voor werk en in het weekend: overhemden, broeken, jeans, rokken en jassen. De verkopers helpen u uw maat te kiezen en rustig kleding te passen in de paskamers.

In de winter biedt de winkel ook mantels, laarzen, handschoenen en handtassen aan. De prijzen staan duidelijk op elk artikel vermeld. Als een kledingstuk u niet past, kunt u het met de kassabon terugbrengen. De winkel is geopend van maandag tot en met zaterdag, van 10.00 tot 19.00.

  1. Qu’est-ce que la boutique « Paris Style » vend pour le travail ?

    (Wat verkoopt de winkel «Paris Style» voor werk?)

  2. Qu’est-ce que le magasin propose en hiver ?

    (Wat biedt de winkel in de winter aan?)

  3. Quels sont vos vêtements préférés pour aller au travail ?

    (Wat zijn uw favoriete kledingstukken om naar uw werk te dragen?)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je peux essayer cette veste en 40, s’il vous plaît ? (Mag ik deze jas in maat 40 passen, alstublieft?)
Vous l’avez, ce pantalon, en taille 38 ? (Heeft u deze broek in maat 38?)
Aujourd’hui, je porte un jean et des chaussures noires. (Vandaag draag ik een jeans en zwarte schoenen.)
Je cherche une chemise pour le travail. (Ik zoek een overhemd voor werk.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je ___ une chemise blanche aujourd’hui pour aller au travail.

(Ik ___ vandaag een wit hemd om naar mijn werk te gaan.)

2. Excusez-moi, vous ___ cette veste en taille M ou en taille L ?

(Pardon, u ___ dit jasje in maat M of in maat L?)

3. Madame, je voudrais ___ ce pantalon noir en taille 40, s’il vous plaît.

(Mevrouw, ik zou graag ___ deze zwarte broek in maat 40 passen, alstublieft.)

4. Nous ___ ces chaussures, mais elles sont un peu trop petites.

(We ___ deze schoenen, maar ze zijn een beetje te klein.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Vous êtes dans un magasin avant une réunion importante. Vous cherchez une chemise pour le travail. Demandez au vendeur une chemise et dites la couleur que vous voulez. (Utilisez : La chemise, la couleur, s’il vous plaît)

(U bent in een winkel vlak voor een belangrijke vergadering. U zoekt een overhemd voor het werk. Vraag de verkoper om een overhemd en zeg welke kleur u wilt. (Gebruik: La chemise, la couleur, s'il vous plaît))

Je cherche  

(Ik zoek ...)

Voorbeeld:

Je cherche la chemise en bleu, s’il vous plaît.

(Ik zoek het overhemd in het blauw, alstublieft.)

2. Vous êtes dans un grand magasin à Paris. Vous voulez essayer un pantalon, mais vous ne trouvez pas votre taille. Demandez si le magasin a votre taille. (Utilisez : Le pantalon, la taille, essayer)

(U bent in een warenhuis in Parijs. U wilt een broek passen, maar u vindt uw maat niet. Vraag of de winkel uw maat heeft. (Gebruik: Le pantalon, la taille, essayer))

Pour le pantalon  

(Voor de broek ...)

Voorbeeld:

Pour le pantalon, j’ai la taille 40, vous avez cette taille, s’il vous plaît ?

(Voor de broek heb ik maat 40; heeft u die maat, alstublieft?)

3. Vous préparez un week-end à la campagne en hiver. Vous êtes dans un magasin de chaussures et vous voulez des bottes pour la pluie. Demandez des bottes et décrivez un peu. (Utilisez : Les bottes, les chaussures, pour la pluie)

(U bereidt een weekend in de winter op het platteland voor. U bent in een schoenenwinkel en zoekt laarzen voor regenachtig weer. Vraag om laarzen en beschrijf ze kort. (Gebruik: Les bottes, les chaussures, pour la pluie))

Je voudrais  

(Ik zou graag ...)

Voorbeeld:

Je voudrais les bottes noires, des bottes pour la pluie, s’il vous plaît.

(Ik zou graag de zwarte laarzen willen, laarzen voor de regen, alstublieft.)

4. Vous êtes en voyage de travail. Il fait froid et vous n’avez pas de manteau. Dans un magasin, demandez un manteau et dites quand vous le portez. (Utilisez : Le manteau, porter, il fait froid)

(U bent op zakenreis. Het is koud en u heeft geen jas bij zich. In een winkel vraagt u om een jas en zegt wanneer u die draagt. (Gebruik: Le manteau, porter, il fait froid))

Je porte  

(Ik draag ...)

Voorbeeld:

Je porte le manteau quand il fait froid, je cherche un manteau simple, s’il vous plaît.

(Ik draag de jas als het koud is; ik zoek een eenvoudige jas, alstublieft.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Beschrijf in 4 of 5 zinnen een kledingwinkel die u leuk vindt en zeg welke kleding u draagt voor het werk of in het weekend.

Nuttige uitdrukkingen:

Je porte… / Je cherche un/une… en taille… / Dans ce magasin, il y a… / Pour le travail, je préfère…

Exercice 7: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Dis qui porte quoi. (Zeg wie wat draagt.)
  2. Décris ce que tu portes. (Beschrijf wat je draagt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Il porte des gants.

Hij draagt handschoenen.

Elle porte une ceinture.

Zij draagt een riem.

Comme un autre vêtement, je connais "robe".

Een ander kledingstuk dat ik ken is 'jurk'.

Petra porte un pantalon et un pull.

Petra draagt een broek en een trui.

Elle porte des bottes.

Zij draagt laarzen.

Ma mère porte des lunettes.

Mijn moeder draagt een bril.

Que portez-vous aujourd'hui ?

Wat draag je vandaag?

...