A1.21 - In de kledingwinkel
Au magasin de vêtements
1. Taalonderdompeling
A1.21.1 Activiteit
Sorteren van Manons kast
3. Grammatica
A1.21.2 Grammatica
De lijdende voornaamwoorden
A1.21.3 Grammatica
De indirecte voornaamwoordelijke voorwerpen
Belangrijk werkwoord
Essayer (passen)
Belangrijk werkwoord
Porter (dragen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Publicité : Nouvelle boutique de vêtements
Woorden om te gebruiken: bottes, chemises, pantalons, vêtements, taille, essayer, sacs, jeans, jupes, manteaux, vestes, gants
(Reclame: Nieuwe kledingwinkel)
La boutique « Paris Style » ouvre aujourd’hui près de votre bureau. Ici, vous trouvez des simples pour le travail et le week-end : , , , et . Les vendeurs vous aident à choisir votre et à les vêtements tranquillement dans les cabines.
En hiver, le magasin propose aussi des , des , des et des à main. Les prix sont indiqués clairement sur chaque article. Si un vêtement ne vous va pas, vous pouvez le rendre avec le ticket de caisse. La boutique est ouverte du lundi au samedi, de 10 h à 19 h.De winkel «Paris Style» gaat vandaag open vlakbij uw kantoor. Hier vindt u eenvoudige kleding voor werk en in het weekend: overhemden, broeken, jeans, rokken en jassen. De verkopers helpen u uw maat te kiezen en rustig kleding te passen in de paskamers.
In de winter biedt de winkel ook mantels, laarzen, handschoenen en handtassen aan. De prijzen staan duidelijk op elk artikel vermeld. Als een kledingstuk u niet past, kunt u het met de kassabon terugbrengen. De winkel is geopend van maandag tot en met zaterdag, van 10.00 tot 19.00.
-
Qu’est-ce que la boutique « Paris Style » vend pour le travail ?
(Wat verkoopt de winkel «Paris Style» voor werk?)
-
Qu’est-ce que le magasin propose en hiver ?
(Wat biedt de winkel in de winter aan?)
-
Quels sont vos vêtements préférés pour aller au travail ?
(Wat zijn uw favoriete kledingstukken om naar uw werk te dragen?)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Je ___ une chemise blanche aujourd’hui pour aller au travail.
(Ik ___ vandaag een wit hemd om naar mijn werk te gaan.)2. Excusez-moi, vous ___ cette veste en taille M ou en taille L ?
(Pardon, u ___ dit jasje in maat M of in maat L?)3. Madame, je voudrais ___ ce pantalon noir en taille 40, s’il vous plaît.
(Mevrouw, ik zou graag ___ deze zwarte broek in maat 40 passen, alstublieft.)4. Nous ___ ces chaussures, mais elles sont un peu trop petites.
(We ___ deze schoenen, maar ze zijn een beetje te klein.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Acheter une chemise pour le travail
Client: Show Bonjour, je cherche une chemise pour le travail.
(Hallo, ik zoek een overhemd voor naar mijn werk.)
Vendeuse: Show Bonjour, vous faites quelle taille, s’il vous plaît ?
(Hallo, welke maat heeft u, alstublieft?)
Client: Show Je fais du M, je peux essayer cette chemise blanche ?
(Ik heb maat M. Mag ik dit witte overhemd passen?)
Vendeuse: Show Oui, bien sûr, la cabine d’essayage est là, à gauche.
(Ja, natuurlijk. De paskamer is daar, aan de linkerkant.)
Open vragen:
1. Qu’est-ce que vous portez au travail, normalement ?
Wat draag je normaal gesproken naar je werk?
2. Dans quel magasin de vêtements vous allez souvent en France ?
Naar welke kledingwinkel ga je vaak in Frankrijk?
Chercher un manteau et des bottes
Client: Show Bonjour, je voudrais un manteau pour l’hiver, s’il vous plaît.
(Hallo, ik zou graag een jas voor de winter willen, alstublieft.)
Vendeur: Show D’accord, vous portez quelle taille pour les manteaux ?
(Oké, welke maat draagt u voor jassen?)
Client: Show Je porte du 40, et je cherche aussi des bottes noires.
(Ik draag maat 40, en ik zoek ook zwarte laarzen.)
Vendeur: Show Très bien, voici des manteaux en 40 et des bottes, vous pouvez essayer ici.
(Prima, hier zijn jassen in maat 40 en laarzen. U kunt ze hier passen.)
Open vragen:
1. Quel vêtement vous portez en hiver en France ?
Welke kleding draag je in de winter in Frankrijk?
2. Vous aimez faire les magasins ou vous préférez acheter en ligne ?
Ga je graag winkelen of koop je liever online?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Vous êtes dans un magasin avant une réunion importante. Vous cherchez une chemise pour le travail. Demandez au vendeur une chemise et dites la couleur que vous voulez. (Utilisez : La chemise, la couleur, s’il vous plaît)
(U bent in een winkel vlak voor een belangrijke vergadering. U zoekt een overhemd voor het werk. Vraag de verkoper om een overhemd en zeg welke kleur u wilt. (Gebruik: La chemise, la couleur, s'il vous plaît))Je cherche
(Ik zoek ...)Voorbeeld:
Je cherche la chemise en bleu, s’il vous plaît.
(Ik zoek het overhemd in het blauw, alstublieft.)2. Vous êtes dans un grand magasin à Paris. Vous voulez essayer un pantalon, mais vous ne trouvez pas votre taille. Demandez si le magasin a votre taille. (Utilisez : Le pantalon, la taille, essayer)
(U bent in een warenhuis in Parijs. U wilt een broek passen, maar u vindt uw maat niet. Vraag of de winkel uw maat heeft. (Gebruik: Le pantalon, la taille, essayer))Pour le pantalon
(Voor de broek ...)Voorbeeld:
Pour le pantalon, j’ai la taille 40, vous avez cette taille, s’il vous plaît ?
(Voor de broek heb ik maat 40; heeft u die maat, alstublieft?)3. Vous préparez un week-end à la campagne en hiver. Vous êtes dans un magasin de chaussures et vous voulez des bottes pour la pluie. Demandez des bottes et décrivez un peu. (Utilisez : Les bottes, les chaussures, pour la pluie)
(U bereidt een weekend in de winter op het platteland voor. U bent in een schoenenwinkel en zoekt laarzen voor regenachtig weer. Vraag om laarzen en beschrijf ze kort. (Gebruik: Les bottes, les chaussures, pour la pluie))Je voudrais
(Ik zou graag ...)Voorbeeld:
Je voudrais les bottes noires, des bottes pour la pluie, s’il vous plaît.
(Ik zou graag de zwarte laarzen willen, laarzen voor de regen, alstublieft.)4. Vous êtes en voyage de travail. Il fait froid et vous n’avez pas de manteau. Dans un magasin, demandez un manteau et dites quand vous le portez. (Utilisez : Le manteau, porter, il fait froid)
(U bent op zakenreis. Het is koud en u heeft geen jas bij zich. In een winkel vraagt u om een jas en zegt wanneer u die draagt. (Gebruik: Le manteau, porter, il fait froid))Je porte
(Ik draag ...)Voorbeeld:
Je porte le manteau quand il fait froid, je cherche un manteau simple, s’il vous plaît.
(Ik draag de jas als het koud is; ik zoek een eenvoudige jas, alstublieft.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Beschrijf in 4 of 5 zinnen een kledingwinkel die u leuk vindt en zeg welke kleding u draagt voor het werk of in het weekend.
Nuttige uitdrukkingen:
Je porte… / Je cherche un/une… en taille… / Dans ce magasin, il y a… / Pour le travail, je préfère…
Exercice 7: Gespreksoefening
Instruction:
- Dis qui porte quoi. (Zeg wie wat draagt.)
- Décris ce que tu portes. (Beschrijf wat je draagt.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Il porte des gants. Hij draagt handschoenen. |
|
Elle porte une ceinture. Zij draagt een riem. |
|
Comme un autre vêtement, je connais "robe". Een ander kledingstuk dat ik ken is 'jurk'. |
|
Petra porte un pantalon et un pull. Petra draagt een broek en een trui. |
|
Elle porte des bottes. Zij draagt laarzen. |
|
Ma mère porte des lunettes. Mijn moeder draagt een bril. |
|
Que portez-vous aujourd'hui ? Wat draag je vandaag? |
| ... |